Money and coinsGeld en munten

In the seventeenth century, not only did each country have its own money, but there were also provinces, towns and organizations, such as the Dutch East India Company, that minted their own coins. All these coins circulated freely throughout Europe, sometimes long after the date of issue. After all, the value of the coins was mainly determined by the amount of precious metal that they contained. This also entailed that exchange rates were not fixed: they depended on the value of the metal and sometimes also on the degree of wear of an individual coin. People generally held on to their new, unblemished coins and paid as much as possible with old, worn and inferior money.

The proportion of precious metal in a given coin was also strongly dependent on the politics of the minter. If the crown was short of money, it might decide to mint coins with a lower percentage of gold or silver, thus effectively lowering the value of the coins. This meant that the value of money was strongly subject to fluctuation. In the Dutch Republic, the authorities tried to keep the value of the coins as stable as possible. In contrast, in Louis XIV’s France it was monetary chaos.

To make some sense of all the different coins and values, certain values were also applied as units of calculation. The value of the physical coins was then expressed in these units. Ideally, the value of the monetary unit approximated the value of the dominant coin; however, this was not always the case.

The monetary unit in the Netherlands was the pond Hollands (Dutch pound). A Dutch pound consisted of twenty stuivers (pennies). Each penny was divided again into sixteen penningen (farthings). The Dutch pound was equivalent to the guilder, a silver coin worth twenty pennies introduced by Charles V in the sixteenth century. The name guilder stuck for the unit of twenty pennies (thus a Dutch pound), even after guilder coins were no longer minted. It was not until the end of the seventeenth century that silver coins would again be minted in the Dutch Republic with the name guilder and the value of twenty pennies. There was no central mint in the Dutch Republic. The issuing of coins was the responsibility of provincial, and in some cases town authorities. However, agreements on minting were made centrally.

The monetary unit in France was the Tournois pound (livre tournois). A Tournois pound was divided into twenty sous. Three Tournois pounds made an écu (equivalent to an English crown). As mentioned earlier, the real value of the French coins could fluctuate strongly in relation to this standard. Nevertheless, these monetary units were used during the entire seventeenth century.

A unit that was occasionally used in the Netherlands was the Flemish pound, also known as the pond groten. A Flemish pound equalled 120 pennies and was thus equivalent to six Dutch pounds.

There was no fixed exchange rate between the Dutch pound and the Tournois pound. This rate was dependent simply on the difference in valuation of the Dutch and French currencies, determined by international price ratios and other economic factors. On average, the French pound was worth slightly less than the Dutch. Around 1670, one écu (three livres tournois) was worth approximately two and a half Dutch pounds on the international market.

The conversion of the old monetary units to modern prices is a fairly pointless exercise. The purchasing power of modern money cannot be compared with earlier times and the price ratios of all kinds of goods and services are sometimes very different too. Moreover, the purchasing power of the old money is very difficult to determine. Prices, particularly of the primary necessities, could vary considerably. For example, the price of 25 litres of grain on the seventeenth-century Paris market was typically between five and seven sous tournois. Occasionally the price fell below three sous, while in bad years it could rise far above fifteen. It is important to realize that the numbers mentioned are averages for a whole year. In reality, the prices fluctuated even more. Moreover, outside Paris the prices could deviate even more again.In de zeventiende eeuw had niet alleen ieder land zijn eigen geld, daarnaast waren er ook provincies, steden en organisaties als de VOC die hun eigen geld sloegen. Al die munten circuleerden vrijelijk door Europa, soms tot ver na de datum van uitgifte. De waarde van het geld werd immers vooral bepaald door de hoeveelheid edelmetaal dat de munten bevatten. Dat betekende ook dat de wisselkoersen niet vastlagen: zij waren afhankelijk van de waarde van het metaal, en eventueel ook van de mate waarin een bepaalde munt versleten was. In het algemeen hielden mensen goede, nieuwe munten vast en betaalden zo veel mogelijk met oud, versleten en minderwaardig geld.

Het gehalte aan edelmetaal dat een bepaalde munt bevatte was bovendien sterk afhankelijk van de politiek van de muntheer. Geldgebrek bij de kroon kon leiden tot het besluit munten te slaan met een lager goud- of zilvergehalte, dus in feite de waarde van het geld te verlagen. De waarde van het geld kon daardoor sterk fluctueren. In de republiek der Nederlanden probeerde men de munten zo veel mogelijk stabiel te houden. Het Frankrijk van Lodewijk XIV daarentegen was een monetaire chaos.

Om te midden van al die verschillende munten en waarderingen de weg te kunnen vinden, kende men daarnaast bepaalde waarden als rekeneenheid. De waarde van de werkelijk bestaande munten werd dan in deze eenheden uitgedrukt. Idealiter kwam de waarde van de rekeneenheid met die van de belangrijkste munt overeen, maar zoals gezegd was dat lang niet altijd het geval.

In Nederland was de rekeneenheid het pond Hollands. Een pond Hollands was onderverdeeld in twintig stuivers. Elke stuiver was weer verdeeld in zestien penningen. Het pond Hollands kwam overeen met de gulden, een zilveren munt ter waarde van twintig stuivers die in de zestiende eeuw door Karel V was geïntroduceerd. Ook nadat het slaan van guldens was gestaakt bleef de naam in gebruik voor een eenheid van twintig stuivers (dus een pond Hollands). Pas aan het eind van de zeventiende eeuw ging men in de Verenigde Nederlanden opnieuw zilveren munten slaan met de naam gulden en een waarde van twintig stuivers. Overigens bestond er in de Nederlandse Republiek geen centrale muntslag. De muntuitgifte was een zaak van de provinciale en in sommige gevallen stedelijke overheden. Er werden op centraal nivo echter wel afspraken over gemaakt.

In Frankrijk was de rekeneenheid het pond Tournoois (livre tournois). Een pond Tournoois was onderverdeeld in twintig sous. Drie pond Tournoois maakten samen een écu (schild). De werkelijke waarde van de Franse munten kon als gezegd ten opzichte hiervan sterk fluctueren. De rekeneenheden bleven echter de hele zeventiende eeuw gehandhaafd.

Een eenheid die af en toe nog in de Nederlanden werd gebruikt was het pond Vlaams, ook wel pond groten geheten. Een pond Vlaams bevatte 120 stuivers en kwam dus overeen met zes ponden Hollands.

Tussen het pond Hollands en het pond Tournoois bestond geen vaste wisselkoers. Deze was eenvoudigweg afhankelijk van het verschil in waardering van het Nederlandse en Franse geld, veroorzaakt door de internationale prijsverhoudingen en andere economische factoren. Gemiddeld was het Franse pond iets minder waard dan het Nederlandse. Rond 1670 was op de internationale geldmarkt een écu (drie livres tournois) ongeveer tweeëneenhalf pond Hollands waard.

Het omrekenen van de oude geldeenheden naar moderne prijzen is een vrij zinloze exercitie. Wat men tegenwoordig wel of niet met zijn geld kan doen is niet te vergelijken met vroeger en de de onderlinge verhouding van de prijzen van allerlei goederen en diensten is soms ook sterk gewijzigd. Verder is ook de koopkracht van het oude geld zeer lastig te bepalen. De prijzen, vooral van eerste levensbehoeften, konden sterk variëren. De prijs van 25 liter graan op de markt van Parijs bedroeg in de zeventiende eeuw meest tussen de vijf en de zeven sous tournoois. Soms daalde de prijs tot onder de drie sous; in slechte jaren daarentegen kon hij stijgen tot ver boven de vijftien. Let wel: we hebben het hier steeds over gemiddeldes over een heel jaar. In werkelijkheid schommelden de prijzen nog veel meer. In plaatsen buiten Parijs konden de prijzen bovendien sterk afwijken.