Verslag: XXX Symposium of the Scientific Instrument Commission, 20–24 September 2011, Kassel, Germany

Van 15–18 september 2011 werd in Kassel, Duitsland het dertigste symposium gehouden van de Scientific Instrument Commission (SIC). Dit is een wetenschaps-historische werkgroep van de International Union for the History and Philosophy of Science (IUHPS), wat weer een onderdeel is van UNESCO. De organisatie van deze internationale conferentie was dit jaar in handen van de Physikalisch-Mathematische Salon te Kassel, een onderdeel van het Museumlandschaft Hessen-Kassel.

Door Huib Zuidervaart Vorig jaar, in Florence, was afgesproken dat er in Kassel een speciale sessie zou komen gewijd aan het fenomeen van ‘het Natuurkundig Kabinet in de achttiende eeuw’, mede omdat deze kabinetten gezien mogen worden als de voorlopers van de Fysische Laboratoria in de negentiende eeuw. Aan deze oproep is gevolg gegeven. Met tien presentaties bleek de sessie ‘Making Science Public in 18th Century Europe – the Role of Cabinets of Experimental Philosophy’ zelfs over drie dagdelen verdeeld te moeten worden. Zelf heb ik hierin een voordracht gegeven met de titel ‘The Emergence of Institutional Cabinets for Experimental Philosophy in the Netherlands during the Long 18th Century’. Als uitvloeisel van deze sessie is door Jim Bennet uit Oxford, Sofia Talas uit Padua en ondergetekende afgesproken om nader te onderzoeken op welke wijze dit Europese thema in aanmerking kan worden gebracht voor een onderzoeks- aanvraag met een ICT-component op Europees niveau.

Kassel herbergt verder een extreem belangrijke collectie 16e eeuwse instrumenten van de toenmalige landgraaf, die destijds als enige vorst in Europa een zeer goed geoutilleerd astronomisch observatorium heeft ingericht en gebruikt. Daarnaast is Kassel tot ver in de achttiende eeuw van belang geweest als centrum voor fysica, chemie en techniek. De collectie van het Astronomisch-Physikalisches Kabinett herbergt dan ook schatten op het gebied van de materiële cultuur van de wetenschap die je nergens anders kunt aantreffen. Ook Nederlandse invloeden zijn hier te ontwaren, ondermeer door een van de fraaiste luchtpompen uit de collectie van de Leidse instrumentmakersfirma Van Musschenbroek. Ook Lotharius Zumbach de Koesfelt, die rond 1700 werkzaam was op de Leidse Sterrewacht heeft in Kassel veel sporen nagelaten uit de tijd daarna waarin hij in dienst van de Hessische Landgraaf was. En zo was er veel meer, waaronder een zojuist geopend kabinet met optische instrumenten en andere zeldzaamheden uit vervlogen eeuwen.

Zoals bij de SIC te doen gebruikelijk was het een bijzonder intensieve maar erg zinnige conferentie, waarin veel aan informatie en ideeën tussen de deelnemers is uitgewisseld. De voordrachten en discussies zijn van hoog niveau, zoals door een aantal Nederlandse deelnemers aan de conferentie bevestigd zal kunnen worden. (Vraag maar aan de andere Nederlandse deelnemers: Azadeh Achbari, Tiemen Coquyt, Fokko Jan Dijksterhuis, Hans Hooijmaijers, Peter Louwman en Martin Weiss). Overigens waren er participanten uit 15 landen afkomstig van drie continenten.

Zoals gemeld waren alle dagen bijzonder intensief. Mede door excursies naar archieven en musea in de verre omtrek waren de deelnemers als regel pas rond elf uur ’s avonds in het hotel. Dagen achtereen bezig zijn van ’s ochtends negen tot laat in de avond maakt in elk geval dat een mens daarna als een blok in slaap valt.

Excursie naar museumdepots in Frankfurt

Zo is er ondermeer een excursie uitgevoerd naar de magazijnen van de Physikalische Hochschule in Frankfurt, waar op dit moment de instrumenten worden bewaard uit het wegens nieuwbouw gesloten zijnde Historische Museum. De hands-on-sessie die ons daar werd gegund, betrof schatten die een mens niet snel meer ter bestudering in zijn handen zal krijgen: vijftiende-eeuwse astrolabia en manuscripten; diverse instrumenten van Erasmus Habermehl (1538-1606; de ‘Hofmechaniker’ van de Oostenrijkse keizer in het midden van de zestiende eeuw); één van de schaars bewaarde globes (uit 1515) waarop voor het eerst de naam ‘America’ voorkomt; de enig bewaarde globe met daarop uitgebeeld de observaties van Tycho Brahe, en tal van andere zeldzame instrumenten tot aan de negentiende eeuw.

Globe uit 1515, met daarop voor het eerst vermeld de naam ‘AMERICA’

Bij dergelijke hands-on sessie blijkt telkens weer, hoe belangrijk het is voor een goed beeld van de historische praktijk van het wetenschappelijk onderzoek, om besef te hebben van de praktische meettechnische en observationele problemen waarmee onderzoekers toen hadden te kampen. Het correct hanteren van wetenschappelijke instrumenten is toen, zowel als nu, verre van vanzelfsprekend.

Martin Weiss (Universiteit Leiden) & Azadeh Achbari (Vrije Universiteit) in discussie bij een ‘hands-on’ sessie met oude wetenschappelijke instrumenten

Indrukwekkend was ook de afsluitende excursie op zaterdagochtend naar de enorme waterwerken van de Hessische keurvorst, waarin een breed scala van fonteinen, cascades van watervallen, hydraulisch aangedreven trompetten en andere technische hoogstandjes uit de 18e en 19e eeuw, die speciaal voor de SIC-deelnemers in werking werden gezet. De voor die tijd extreem ingewikkelde technologie werd uitvoerig uitgelegd en gedemonstreerd, terwijl ook de toenmalige opvattingen over de relatie tussen mens en natuur fraai werd verbeeld. Kortom, het was – in elk geval voor ondergetekende – een bijzonder inspirerende conferentie.

Reconstructie van het astronomisch observatorium van Landgraf Moritz von Hessen-Kassel, “der Gelehrte” (1572-1632), waarbij de bezoeker met originele instrumenten, zowel als met replica’s, posities kan proberen te bepalen van sterren die op het plafond zijn geprojecteerd: een waarlijk niet-eenvoudige bezigheid!

Verslag: Symposium ‘Where Do We Stand?', International Commission on Women in Science, Parijs, September 14-17, 2011

De Commission on Women in Science, één van de commissies van de internationale wetenschapshistorische organisatie DHST/IUHPS,  hield haar conferentie deze keer in een Parijs met volle terrasjes vanwege het prachtige nazomerweer. Eerst was er een bijeenkomst rond Marie Curie, aan wie 100 jaar geleden de Nobelprjs voor chemie werd toegekend. Robert Marc Friedman uit Oslo beprak wat er zich voorafgaand aan die uitreiking achter de schermen heeft afgespeeld. Als we het nog niet wisten, dan weten we het nu: zelfs bij zo’n prestigieuze prijs en ook toen al spelen persoonlijke voorkeuren en rancunes een essentiële rol. Daarna gingen we naar het museum dat aan de Curies is gewijd en verbleven we even op de plek waar Marie het onderzoek heeft verricht dat in die Nobelprijs resulteerde.

Door Ida Stamhuis

Een van de sessies was gewijd aan ‘The Impact of New Archival Projects”. Margaret Rossiter vertelde over het belang van archieven voor haar binnenkort te verschijnen boek Women Scientists in America dat de recente periode zal behandelen. De andere lezingen van deze sessie maakten duidelijk hoe belangrijk initiatieven van archivarissen zijn. Zij zorgen ervoor dat belangrijk materiaal bewaard blijft en zij starten ook interviewprojecten, zodat latere onderzoekers over relevant twintigste- en eenentwintigste-eeuws materiaal kunnen beschikken. Het is immers nog tamelijk onduidelijk wat de consequenties van het internet en de modern media voor de toekomstige geschiedschrijving zijn. Een andere sessie besprak het fenomeen van het grote aantal vrouwen in nieuw opkomende disciplines aan het begin van de twintigste eeuw, in het bijzonder de genetica. De eerste vrouwelijke wetenschappers hielden zich relatief vaak met genetica bezig; in Nederland was de eerste hoogleraar in de genetica tevens de tweede vrouwelijke hoogleraar – in 1919 werd Tine Tammes in Groningen aangesteld. In Noorwegen was ze zelfs de eerste; Kristine Bonnevie werd al in 1912 hoogleraar in Oslo. In Duitsland bevolkten bijna alleen vrouwen het eerste instituut voor genetica dat in 1914 werd opgericht. En dat bleef ook zo; in 1928 karakteriseerde een mogelijke nieuwe directeur dit instituut als een ‘Damenstift’, wat zoiets betekent als een groep adelijke nonnen. Deze karakterisering verwijst zowel naar de ongehuwde staat van deze vrouwelijke pioniers als naar hun afkomst uit de ‘betere’ kringen. Ook in Engeland en Rusland was het aandeel van vrouwen in het eerste genetische onderzoek essentieel.

De 50 deelnemers aan dit Symposium kwamen uit de hele wereld: Van India en Trinidad tot de USA en Canada; van Duitsland en Tsjechië tot Portugal en Israel. En er waren twee Nederlandse deelnemers: Mineke Bosch (RUG) en Ida Stamhuis (VU). Het niveau en de levendigheid van dit symposium maakten duidelijk dat de thematiek van vrouwen en gender een gevestigde plaats in de wetenschapsgeschiedenis heeft verworven.

Verslagen: Evolutiecongres VU

Verschillende kranten doen verslag van het congres over anderhalve eeuw evolutiedebat, dat vrijdag 23 september door de VU en ForumC werd georganiseerd aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Lees verder op Geloofenwetenschap.nl

Verslag: Johannes Hevelius-conferentie, Gdánsk, 15-18 September 2011

Van 15–18 september 2011 werd in Gda?sk, Polen het vierde eeuwfeest gevierd van de geboorte van Johannes Hevelius, de vermaarde Duits-Poolse astronoom uit de zeventiende eeuw. De organisatie van deze internationale wetenschapshistorische conferentie was in handen van de Poolse Academie van Wetenschappen, in samenwerking met de universiteitsbibliotheek van Gdansk. In deze laatstgenoemde bibliotheek werd ook een gelegenheidstentoonstelling en een gelegenheidsconcert georganiseerd.

Door Huib Zuidervaart

De driedaagse conferentie werd geopend met een key-note lecture van Robert A. Hatch (University of Florida, USA), die ook onlangs op het Huygens ING / Descartes Centre te gast was. Andere sprekers op deze conferentie waren ondermeer Rienk Vermij (University of Oklahoma), Frank Verbunt (Utrecht University), Suzanne Débarbat, (Observatoire de Paris), Felix Lühning (Archenhold Observatory, Berlin), James Caplan (Observatoire astronomique de Marseille-Provence), Richard L. Kremer (Dartmouth College, Hanover, USA) en Patricia Radelet-de Grave (Université catholique de Louvain).

Hevelius stond aan het hoofd van een welvarende bierbrouwerij die hij geërfd had. Die inkomstenbron stelde hem in staat om boven op zijn drie woonhuizen te Dantzig (het huidige Gdansk in Polen) een goed uitgerust astronomisch observatorium te bouwen. Daarmee had hij ondermeer de ambitie om de sterrenatlas van Tycho Brahe te vermeerderen en te verbeteren. In dat streven is hij wonderwel geslaagd. Zoals Frank Verbunt van de Utrechtse Universiteit in zijn presentatie wist aan te tonen heeft Hevelius de Atlas van Tycho, waarin ‘slechts’ circa 600 sterren zijn aangegeven, met ongeveer 1500 sterren weten te vermeerderen. De nauwkeurigheid van zijn grotendeels met het blote oog opgetekende waarnemingen was verbluffend hoog. Ook was Hevelius een belangrijke spil in het netwerk van astronomen die destijds de Europese Republiek der Letteren bevolkten. Zelf hield ik er een voordracht over ‘Jacob Ouseel (1631-1686). Correspondent of Hevelius, telescope maker, versatile book collector, and (dubious?) scholar from the Netherlands’. Het gaat hier om de Groningse hoogleraar rechten Jacobus Oiselius, die zich, behalve als boekenverzamelaar, ook heeft onderscheiden als de maker van een groot aantal telescopen en microscopen. Aan het eind van zijn leven beschikte hij over de grootste collectie in de Nederlandse Republiek. Over de vervaardiging van deze instrumenten en over de daarmee verrichte waarnemingen correspondeerde hij met Hevelius. Deze astronoom was een zakenrelatie van Ouseels Nederlandse ouders die in Dantzig woonden. Ouseel die zelf tot zijn twaalfde jaar ook in deze stad was opgegroeid kende de astronoom vermoedelijk persoonlijk. In elk geval heeft hij Hevelius in 1672 in Gdansk opgezocht. Ouseels werkzaamheid valt verder samen met de periode waarin ook Huygens, Hudde en Spinoza zich met het slijpen van telescoop lenzen bezig hielden.

Naar aanleiding van het verschijnen van de komeet van 1665 publiceerde Ouseel ook tegen het bijgeloof aangaande kometen. Wat betreft zijn overige wetenschappelijke werk op het gebied van de filologie, de rechtsgeleerdheid en de numismatiek is zijn reputatie uitgesproken slecht. Ouseel werd in de 18e eeuw aangemerkt als behorende tot de 100 ergste plagiaatoren, die tot dan toe bekend waren.

Amsterdam’s Dinosaur Population

Amsterdam may be known for a lot of things, but dinosaurs aren’t usually among them. However, take a walk along the central Plantage Middenlaan in Amsterdam’s Plantage (‘plantation’) district and you will be confronted by two unlikely-looking creatures in the city zoo’s gardens: one is instantly recognizable as Stegosaurus, the other is not quite as obviously a theropod of some description.

Read more at Naturalhistories.net

Kernkamps 'Acta et decreta senatus. Vroedschapsresolutiën en andere bescheiden betreffende de Utrechtse Academie' online.

Sinds vandaag staat op het Digitaal Wetenschapshistorisch Centrum (DWC) de driedelige ‘Kernkamp’ online. Dit door G.W. Kernkamp in de jaren dertig van de twintigste eeuw samengestelde overzicht van bronnen met betrekking tot de vroegste geschiedenis van de Utrechtse universiteit was tot dusverre nog niet digitaal beschikbaar. De editie werd uitgebracht tussen 1936 en 1940 en bevat (voor de periode tot november 1815) onder meer de resoluties van de Universitaire senaat en de besluiten van het Utrechtse stadsbestuur met betrekking tot de Utrechtse universiteit.

Deze digitale beschikbaarheidstelling maakt deel uit van het streven van de DWC-redactie om auteursrechtvrije bronnenpublicaties, die vaak in beperkte oplage zijn verschenen, weer eenvoudig beschikbaar te stellen voor onderzoek. Voor meer werken en verdere uitleg kunt u terecht op de pagina ‘Diverse online publicaties’ van het DWC. Inmiddels zijn daar al ruim dertig uitgaven te downloaden als PDF-bestand.

Acta et decreta senatus. Vroedschapsresolutiën en andere bescheiden betreffende de Utrechtse Academie, uitgegeven door Dr. G.W. Kernkamp. Utrecht: Broekhof n.v. v/h Kemink en Zoon. Deel 1 (1936), Deel 2 (1938) en Deel 3 (1940) in één bestand (1.913 pagina’s, 55MB)