[Verslag] Workshop ‘De tweede wetenschappelijke revolutie’ (Leiden, 23-24 mei 2014)

Door David Baneke

De ‘tweede wetenschappelijke revolutie’ is een term die al een tijdje rondzingt in de wetenschapshistorische wereld. Verschillende grootheden uit het vak hebben gesuggereerd dat de veranderingen in de wetenschapsbeoefening in de negentiende eeuw minstens zo ingrijpend waren als die in de zeventiende eeuw, en dat de moderne wetenschap eigenlijk pas toen zijn huidige vorm kreeg. Tegelijk is het natuurlijk een term die veel discussie oproept. Moesten we niet juist af van de term ‘revolutie’? Is het niet onzinnig om zoveel complexe veranderingen, die ook nog eens over een lange periode plaatsvinden, in één begrip te vangen? En als je al kunt spreken over een tweede revolutie, hoe verhoudt die zich dan tot de eerste?

Deze discussie werd nieuw leven ingeblazen door de onlangs overleden John Pickstone, toen hij twee jaar geleden in Nederland was. Hij vond Nederlandse wetenschapshistorici en –filosofen de aangewezen personen om het begrip ‘tweede wetenschappelijke revolutie’ nader te onderzoeken. Floris Cohen en Frans van Lunteren hebben dat idee opgepakt, wat leidde tot een informele brainstorm in 2013 en vorige week een tweedaagse workshop in Museum Boerhaave in Leiden, mogelijk gemaakt door het Descartes Centre.

Tijdens de workshop werd duidelijk dat het begrip ‘tweede wetenschappelijke revolutie’ een uitstekende aanjager van discussie op hoog niveau is, maar dat de ideeën over de invulling ervan sterk uiteen lopen.

Op de eerste dag ging het vooral over de fundamentele mentaliteitsveranderingen rond 1800, met een opvallende nadruk op filosofie en (andere) geesteswetenschappen. De bijdrage van Bart Karstens over ‘de historisering van het wereldbeeld’ dook later nog vaak op in de discussies. Op de tweede dag ging het meer over de relatie tussen wetenschap en grote maatschappelijke ontwikkelingen als de opkomst van natiestaten en de industriële revolutie. Eerst werden de veranderingen in drie specifieke discipines tegen het licht gehouden, waarna Jeroen Bouterse en Ad Maas een bredere visie op de negentiende-eeuwse wetenschap gaven.

Vrijwel iedere spreker was het erover eens dat er in de negentiende eeuw iets fundamenteel veranderde, maar iedereen zocht (en vond) die verandering in een andere richting. Is de tweede wetenschappelijke revolutie de maatschappelijke inlossing van de beloftes van de eerste, zoals hier en daar werd gesuggereerd? Of gaat het toch vooral om een veranderende filosofische grondhouding? En ligt het belangrijkste omslagpunt dan aan het einde van de achttiende eeuw, of pas rond het begin van de twintigste, of toch ergens anders (of nergens)?

De kernvraag is natuurlijk of die veranderingen allemaal aspecten van een grotere ontwikkeling waren, die je ‘revolutie’ zou kunnen noemen. Slotspreker Frans van Lunteren draaide de definitiekwestie om: een wetenschappelijke revolutie moet betrekking hebben op meerdere niveaus, anders is het geen revolutie. Maar om het begrip historisch hanteerbaar te maken lijkt een strakkere invulling ervan nodig. Hier ligt een taak voor een ambitieuze onderzoeker, en vermoedelijk voor meer dan één.

Illustratie: Natuurkundelaboratorium in het midden van de negentiende eeuw. Bron: Morgan’s Compendium.