Verslag – Symposium over “gevoelig” academisch erfgoed (Groningen, 17 juni 2014)

 

De Stichting Academisch Erfgoed probeert ondertussen al een kleine vijftien jaar de collecties van Nederlandse universiteiten onder de aandacht te brengen – door aandacht te besteden aan praktische kwesties rond beheer, maar ook door de collecties te tonen (onder meer online op www.academischecollecties.nl) en door het organiseren van themabijeenkomsten waarin dat academische erfgoed centraal staat.

Op dinsdag 17 juni vond in zo’n bijeenkomst plaats, ditmaal gekoppeld aan de (negende) jaarlijkse Dijksterhuislezing. In de monumentale Aa-Kerk, temidden van de lustrumtentoonstelling over de vierhonderdjarige Rijksuniversiteit Groningen, richtte het symposium zich vooral op actuele vragen rond de vaak problematische herkomst van academisch erfgoed en de gevolgen die dat had voor het gebruik. UvA-erfgoeddirecteur Steph Scholten opende met een uiteenzetting over de ethische en praktische dilemma’s die spelen rond het omgaan met academische collecties: de illegale herkomst van objecten (grafrovingen, oorlogsbuit), problemen met de informatievoorziening en met de aard van objecten, zoals menselijke resten. Aan de hand van een aantal casussen leidde Scholten ons langs een verscheidenheid aan reële en potentiële dilemma’s. En zijn talrijk: naar Scholtens zeggen was binnen zijn collecties twintig procent ‘fris’. “Over de rest kun je een gesprek voeren”.

De gevoeligheden rond menselijke resten werden verder uitgediept door auteur en presentator Frank Westerman aan de hand van zijn recente boek El negro en ik. Daarin behandelt hij het verhaal van een opgezette zwarte man in die tot het jaar 2000 te zien was in het natuurhistorisch museum van Bagnoles, een dorp in de Spaanse Pyreneeën. Twee broers groeven rond 1830 in het gebied van de Vaal en de Oranjerivier het stoffelijk overschot van een krijger op, slachtten en vilden het, en namen het meenaar Parijs, waar het werd geprepareerd. Westerman beschreef hoe ‘El negro’ het centrum werd van een aantal discussies, onder meer rond de evolutie van de mens.

Maar het verhaal van ‘El negro’ was vooral het verhaal van tentoonstellingsethiek. Inmiddels de mascotte van het dorp geworden, kon ‘de neger van Bagnoles’ tamelijk onbekommerd tentoongesteld blijven totdat in 1992 de olympische roeiwedstrijden in het dorp werden gehouden. Onder de druk van internationale media moest Bagnoles capituleren; ontdaan van alles behalve de oorspronkelijke huid en botten vonden de resten uiteindelijk hun weg terug naar Afrika. Maar wel het verkeerde deel van Afrika; Westermans verhaal liet zien hoe werkelijk alles was misgegaan bij de overdracht. Hij contrasteerde het met de teruggave van de resten van de ‘hottentot-venus’ Saartje Baartman door Frankrijk aan Zuid-Afrika, een jaar later. De lessen van Bagnoles waren door de Fransen duidelijk opgepikt, met meer gevoel voor Zuid-Afrikaanse sentimenten, maar ook met oog voor de bescherming van de overige collecties in Franse musea.

Rolf ter Sluis (Universiteitsmuseum Groningen) sloot af met een uiteenzetting over de manier waarop wettelijk mag worden omgegaan met oude medische patiëntgegevens. Het probleem is hier dat medische collecties dikwijls oude dossiers bevatten die dikwijls al lang geleden vernietigd hadden moeten worden. Het is materiaal dat echter goed inzetbaar is voor medisch onderwijk en de verleiding bestaat om het daarom te bewaren, te gebruiken en tentoon te stellen – maar de mogelijkheden daartoe zijn juridisch (en ethisch) beperkt.

Tijdens de negende Dijksterhuislezing probeerde Doeko Bosscher de “kern van het hedendaagse academische milieu” te grijpen, wat hem noch de vragenstellers achteraf erg gemakkelijk afging. Bosscher maakte onderscheid tussen ‘universiteitssteden’ en ‘studentensteden’ – de eerste als een formele categorie, de tweede als een ontmoetingsplaats tussen academici en studenten; het academische milieu. Hoe maakt de universiteit haar opdracht waar en hoe kan het erfgoed die radicaal veranderde missie het beste ondersteunen? In de discussie werd vooral duidelijk dat het contrast tussen materieel en immaterieel erfgoed moeilijker te vangen is dan op het eerste gezicht het geval lijkt. Materieel erfgoed heeft een immateriële kant in het narratief rond objecten, maar dat aspect is vaak moeilijk te onderscheiden, zoals ook Scholten toegaf: “Academisch erfgoed is een stofzuigerzak, waarin je alles tegelijk naar binnen trekt”.

Illustratie: CC-BY Wikimedia Commons.