Verslag: Conferentie ‘Science and Politics at War: New Relations in the Post War Era’, (Aarhus, Denemarken, 13-14 December 2011)

Door David Baneke

Twee dagen intensief praten in kleine kring over wetenschap in Koude Oorlogstijd blijkt een uiterst aangename bezigheid. Met ongeveer twintig deelnemers was de conferentie zowel overzichtelijk als productief. Dat begon al vanaf de eerste informele bijeenkomst met een goed glas Deens Kerstbier. De conferentie was georganiseerd door de deelnemers aan een groot onderzoeksproject over wetenschap in Groenland, een indrukwekkend project dat wordt gefinancierd door de Carlsberg Foundation. Veel andere sprekers zijn betrokken bij een internationaal netwerk dat zich bezighoudt met de geschiedenis van geofysica, oceanografie en poolwetenschap.

Eigenlijk was dit het jaarlijkse congres van de Deense nationale commissie voor wetenschapsgeschiedenis. In de afgelopen jaren was dat echter een tamelijk ingeslapen bedoeling. Daarom werd dit jaar werd besloten het anders aan te pakken. De conferentie werd Engelstalig, kreeg een helder thema mee, en er werden twee prominente gastsprekers uitgenodigd (Ron Doel en Zuoyue Wang). Dat werkte: tot verbazing van de Denen was de internationale belangstelling groot, met niet minder dan vier aanmeldingen uit Nederland (Astrid Elbers, Abel Streefland, Friso Hoeneveld en David Baneke).

De onderwerpen varieerden van het Australische visserijbeleid of Argentijnse kernfysica tot Deense oceanografie en de PR van de Amerikaanse landmacht. Toch werden er wel enkele grote lijnen zichtbaar. Een ervan was het enorme, maar vaak slecht zichtbare, belang van scientific intelligence. Dat is niet alleen spionage in de klassieke zin maar ook het verzamelen van informatie over de stand van de wetenschap in het andere kamp met behulp van openbare bronnen of tijdens ontmoetingen met buitenlandse collega’s. Wetenschap en politiek waren hierbij overigens lang niet altijd ‘at war’, zoals de titel van de conferentie suggereerde.

Een andere rode draad was John Krige’s boek American Hegemony and the Postwar Reconstruction of Science in Europe (2006). Hij beschreef hoe de Verenigde Staten wetenschappelijke samenwerking gebruikte om West-Europese intellectuelen voor zich te winnen, en tegelijk de eigen superioriteit te ondersteunen. Aan Krige’s analyse werd niet getornd, maar er valt wel het een en ander aan toe te voegen. Zijn perspectief is bijvoorbeeld exclusief Amerikaans, en hij geldt alleen voor de eerste periode van de Koude Oorlog. Bovendien waren de Amerikanen niet op alle gebieden superieur, en waren er belangrijke nationale verschillen. De Amerikaanse activiteiten in Groenland lagen bijvoorbeeld nogal gevoelig in Denemarken, wat de Amerikanen er overigens niet van weerhield om een enorme nucleaire basis onder het ijs te bouwen.

Er was ruim tijd voor vragen en discussie, en daar werd goed gebruik van gemaakt. Behalve onderzoeksresultaten en -ideeën werden er ook veel (digitale) documenten uitgewisseld, soms nog tijdens de lezingen. Tijdens het laatste diner werden tot slot verschillende nationale en internationale complottheorieën geïnventariseerd. De Koude Oorlog is immers behalve een interessante periode ook een onuitputtelijke bron van mooie verhalen.

Illustratie: Franz Josef Fjord, Groenland (Wikimedia Commons)