Tine Tammes. Het 'Matilda-effect' in de Wetenschap (Ida Stamhuis)

Gepubliceerd in Kunst en Wetenschap 5, nr. 4 (1997), 9-10

De eerste Nederlandse hoogleraar in de genetica was een vrouw, de Groningse Tine Tammes (1871-1947). Een man zou het lage salaris van het bijzonder hoogleraarschap waarschijnlijk niet hebben geaccepteerd. Maar “Mej. Tammes” zou, zoals werd gezegd, het “niet zeer hoog bezoldigde Buitengewoon Hoogleraarsambt” wel willen aanvaarden. In 1919 werd zij hierdoor de tweede vrouwelijke hoogleraar in Nederland. Hoe werd ze als vrouw in een mannenwereld hoogleraar?
Tine Tammes was een leergierig meisje uit een middenstandsgezin. In 1883 ging ze naar de Middelbare Meisjesschool (MMS). Het gymnasium, de officiële vooropleiding voor de universiteit zal buiten haar gezichtsveld hebben gelegen. Om als meisje het gymnasium te bezoeken was er tot 1906 speciale toestemming van de minister nodig. Die toestemming hebben slechts een beperkt aantal meisjes, meestal afkomstig uit de hogere standen, gevraagd en gekregen.
Tines leergierigheid was niet bevredigd door het onderwijs dat ze op de MMS had genoten, want ze nam na het behalen van het diploma privélessen in wis-, natuur-, en scheikunde en schreef zich in 1890 in aan de Groningse universiteit, waaraan toen elf vrouwen studeerden. Ze volgde colleges en practica maar mocht geen academische examens afleggen. In 1892 behaalde ze de middelbare akte natuurkunde, scheikunde en kosmografie en in 1897 de akte plant-, dier,- delfstof- en aardkunde. In het jaar dat ze haar tweede akte haalde werd ze de assistent van Jan Willem Moll, hoogleraaar in de plantkunde. Hij is voor haar van zeer grote betekenis geweest.
Hugo de Vries
Moll had haar talenten reeds vroeg opgemerkt. In 1896 schreef hij: “Zij is een inderdaad zeer begaafd meisje, dat zich met hart en ziel op de wetenschap toelegt.” Tijdens zijn studie aan de Amsterdamse universiteit had Moll de befaamde Hugo de Vries leren kennen. (Over de door mij ontdekte correspondentie tussen deze twee, zie K&W 3e jrg. (1994) nr. 1, blz.12-15.)
Moll heeft zijn vriendschap met De Vries voor Tine Tammes’ wetenschappelijke ontwikkeling benut. In 1898 schreef hij aan zijn collega en vriend: “Dan nog iets over Mej. Tammes. Ik heb je vroeger wel eens gezegd, dat ik haar gaarne, gedurende haar assistentschap, eens bij je zou detacheeren, om onder je leiding een onderzoek te doen”. Hugo de Vries was in deze tijd reeds een gerenommeerd wetenschapper, die zich steeds meer was gaan bezighouden met vraagstukken rond erfelijkheid en evolutie. Tammes had belangstelling voor dit nieuwe veld van onderzoek. Moll hield zich daar niet mee bezig. Hij wist dat het niet vanzelfsprekend was, dat De Vries zijn verzoek zou accepteren:
    Ik weet wel, dat je er niet zo heel erg op gesteld zijt, een dame voor onderzoek op bezoek te hebben, maar ik geloof dat je dit erg mee zal vallen; zij kan zeer goed op zichzelf werken en haar eigen weg gaan, zodat ik er zeker van ben, dat je geen last van haar zult hebben.
Het leek Moll nodig om De Vries heel duidelijk te maken, dat het hem ernst was met dit verzoek, want hij besloot met: “Ik hoop dus zeer, dat je dit verzoek niet zult afslaan.”
Moll had De Vries’ tegenzin tegen een dergelijk verzoek juist getaxeerd, want De Vries schreef direct na ontvangst van de brief terug:
    Wat Mej. Tammes betreft heb ik wel erge bezwaren tegen uw voorstel, maar als ge het wilt, zal ik het natuurlijk doen. Maar gaarne zou ik toch vooraf meer weten, van wat zij (en gij) er zich van voorstelt. Het zal m.i. erg tegenvallen.
Het is duidelijk, dat hij er helemaal niet voor voelde, dat een vrouw in zijn laboratorium zou komen werken. De Vries kon een zo dringend verzoek van zijn goede vriend en collega echter niet afslaan.
Ook Tammes zelf had haar twijfels omtrent een bezoek van een paar maanden aan het Amsterdamse laboratorium van De Vries. Zij vroeg zich af, of ze als enige dochter, die nog “thuis” woonde, haar ouders wel zo lang alleen kon laten. Een broer had haar op het hart gebonden om wel te gaan en dat heeft ze dan ook gedaan.
Na enige tijd schreef De Vries: “Zij voelt zich hier nog erg eenzaam”. Hij schreef niets over haar onderzoek. Wel kwam een andere kwestie aan de orde. Dit betrof een aanstelling als wetenschappelijk assistent op het Laboratorium voor Phytopathologie (=leer der plantenziekten) te Amsterdam. Moll had De Vries, die bij de oprichting betrokken was geweest, verzocht zijn invloed te benutten. De Vries reageerde:
    Ik vrees dat ik voor Mej. Tammes al evenweinig doen kan als gij. Ik ben geen lid meer van het bestuur van het Phytop. Laboratorium (…..). Het bezwaar was vooral, dat men van een dame niet vergen kan in weer en wind de inspecties op de velden te houden; ik heb dit eenmaal in guur weer gedaan en t’is ellendig werk. (…….)
Tammes was zeer teleurgesteld. Omdat ze vrouw was ging deze door haar begeerde aanstelling aan haar neus voorbij.

Eindelijk hoogleraar

Doordat Tammes geen officiële academische studie had afgerond, kon ze in Nederland niet promoveren. Sommige vrouwen die zich in een vergelijkbare situatie bevonden, promoveerden dan in het buitenland, waar de regels minder streng waren. Dat heeft bijvoorbeeld de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland, Johanna Westerdijk, gedaan.
Tine bleef in Nederland en begon met een onderzoek naar de eigenschappen van gecultiveerd vlas, een gewas dat in het Groningse land van grote landbouwkundige betekenis was. Ook hier was Moll weer een sturende kracht. Hij zorgde ervoor dat de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem, het belangrijkste wetenschappelijke genootschap in die tijd, een prijsvraag over vlas uitschreef, zodat Tammes onderzoek kon doen dat als belangrijk werd beschouwd en dat gepubliceerd zou worden. In mei 1907 was het verslag klaar en het oordeel erover was bijzonder positief. De hieraan verbonden prijs was ƒ 500,-.
In de jaren daarna ging ze onderzoek doen naar erfelijkheid en kruiste diverse vlasvariëteiten. Dit werk zou belangrijke resultaten opleveren. Toen ze dit in 1910 had afgerond, kwam Moll opnieuw voor haar in aktie en stelde voor om haar een eredoctoraat aan de Groningse universiteit toe te kennen.
Intussen was duidelijk geworden, dat hij meer van plan was. Hij stelde voor om een buitengewoon hoogleraar in de Leer der Erfelijkheid en Variabiliteit te benoemen. Eén van de redenen die hij aanvoerde was, dat op het Botanisch laboratorium een “alleszins bevoegd persoon” in dit nieuwe vakgebied werkte, die bereid zou zijn het “niet zeer hoog bezoldigde Buitengewoon Hoogleraarsambt” te aanvaarden. Hij verhulde niet dat hij daarbij Tammes op het oog had.
De Minister van Binnenlandse zaken liet naar aanleiding van Kamervragen antwoorden, dat de “instelling van een nieuwe leerstoel hem voorkwam niet urgent te zijn,” een nietszeggend antwoord maar met als resultaat dat er voorlopig geen leerstoel in de genetica kwam.
In 1917 werd Moll opgevolgd door J.C. Schoute. Deze nam als voorvechter voor de positie van Tammes de fakkel over en startte een nieuwe campagne. Hij schreef een aantal internationaal-bekende genetici aan met de vraag of zij vonden dat zij ‘professorabel’ was, hetgeen een aantal lovende brieven opleverde. Deze actie resulteerde in haar benoeming tot buitengewoon hoogleraar in 1919.
Matilda-effect
Reeds in 1866 had de Tsjechische monnik Johann Gregor Mendel de naar hem genoemde erfelijkheidswetten gepubliceerd. Hij ging uit van erfelijke factoren die verantwoordelijk zijn voor een bepaald kenmerk. Hij definieerde heterozygote en homozygote individuen en onderscheidde dominantie en recessiviteit. Hij veronderstelde dat bij een heterozygoot de betreffende factoren paarsgewijs voorkomen en dat ze zich scheiden bij de vorming van geslachtscellen.
Het duurde tot 1900 voor deze wetten opnieuw werden ontdekt, maar toen werden ze ook snel razend populair. Hoewel, lang niet iedereen liet zich overtuigen dat deze wetten de erfelijkheid konden verklaren. Voor discrete eigenschappen zoals gladheid of gerimpeldheid van bonen, wilden de meesten nog wel geloven dat bij kruising de bastaardboon de dominante eigenschap liet zien en dat in de tweede generatie ongeveer 75% het dominante en 25% het recessieve kenmerk vertoonde. Met betrekking tot continue eigenschappen zoals lengte geloofden velen niet in de geldigheid van de wetten van Mendel. De ervaring was immers dat wanneer een lange en een korte variëteit werden gekruist, het resultaat een plant was met een ‘tussenin-lengte’.
Rond 1910 verschenen diverse artikelen die beargumenteerden dat de wetten van Mendel ook voor dergelijke eigenschappen gelden. Uitgangspunt daarbij was de ‘multipele-factortheorie’, die ervan uitging dat een continue eigenschap door meerdere erfelijke factoren (de latere genen) wordt bepaald. Ook Tine Tammes werkte aan dit probleem en onderzocht dit aan de hand van de erfelijkheid van met name de lengte van vlaszaad.
Ze publiceerde hierover in 1911 het meest overtuigende artikel. De reden daarvan was niet alleen, dat zij over een uitstekende testplant met geschikte eigenschappen beschikte; zij maakte bovendien gebruik van meer waarschijnlijkheidsrekening en statistiek dan de anderen. Daardoor wist zij meer informatie uit haar gegevens te verkrijgen. Zij deed, in tegenstelling tot haar tijdgenoten, ook gegronde veronderstellingen over het aantal factoren dat aan de waarde van een bepaalde continue eigenschap bijdroeg. Dat Moll de waarde van dit werk inzag, volgt uit zijn beschrijving ervan uit 1910:
Daarin wordt voor de eerste maal met behulp van statistische methoden een onderzoek ingesteld naar het wezen van een aantal hybride kenmerken en wordt het bewijs geleverd dat in de onderzochte gevallen voor zuiver intermadiaire kenmerken de wetten van Mendel gelden, en dat het mogelijk is langs deze weg het aantal elementaire eigenschappen dat daarbij in het spel is te bepalen.
Toch wordt Tammes’ artikel in de literatuur over dit onderwerp bijna nooit genoemd. De Zweed H. Nilsson-Ehle en de Amerikaan E.M. East gingen met de eer strijken de multipele-factortheorie te hebben bewezen.
Een dergelijke onderwaardering schijnt vrouwen vaker te overkomen dan mannen. Niet alleen Tine Tammes maar ook beroemde vrouwelijke natuurwetenschappers hebben met dit fenomeen te maken gehad. Zo kreeg de Otto Hahn in 1944 de Nobelprijs voor de ontdekking van kernfusie.Terwijl hij hieraan jarenlang samen met Lise Meitner gewerkt had, deelde zij niet in de eer. Iets vergelijkbaars overkwam Rosalind Franklin. Zij was betrokken bij het werk dat naar de ontdekking van de bouw van het DNA leidde, maar de Nobelprijs werd aan haar mannelijke medeonderzoekers toegekend. Om nog een voorbeeld te noemen: voor de eerste vrouw van Albert Einstein, Mileva Maric die met hem samenwerkte, geldt dat de resultaten van haar bijdragen aan hun onderzoek grotendeels aan zijn verdiensten worden toegeschreven. Deze voorbeelden van onderwaardering kunnen nog met zoveel andere worden aangevuld dat de Amerikaanse Margaret Rossiter, schrijfster van “Women Scientists in America” dit verschijnsel een eigen naam, het Matilda-effect in de wetenschap heeft gegeven.
Ida Stamhuis is verbonden aan de Vrije Universiteit, Faculteit Exacte Wetenschappen, Amsterdam, stamhuis@nat.vu.nl