Smetius, Johannes (1590-1651)

I. Biografie

Johannes Smetius (geboren Johannes Smith, Aken 10.10.1590 n.s. – Nijmegen 30.5.1651 o.s.; ook bekend als Johannes Fabricius) werd geboren als oudste zoon van een welgestelde textielhandelaar in Aken. Zijn vader week in 1615, na de inneming van Aken door Spinola, met zijn gezin uit naar het protestantse Nijmegen. Smetius werkte in dat jaar in Sedan als predikant en vervangend hoogleraar in de wijsbegeerte. Hij was opgeleid aan de Latijnse School te Odenkirchen, de hogeschool van Harderwijk (waar hij les kreeg van Johannes Pontanus) en de universiteiten van Heidelberg en Genève, waar hij theologie studeerde; daarna had hij een kleine tour door Frankrijk en Engeland gemaakt. In 1617 vestigde Smetius zich in Nijmegen, waar hij in 1626 trouwde met Johanna Bouwens.Vanaf 1618 tot zijn dood werkte hij als predikant in de Nijmeegse Stevenskerk. Smetius kreeg bekendheid onder geleerden in binnen- en buitenland vanwege zijn omvangrijke collectie in en om Nijmegen gevonden Romeinse oudheden. Hij stelde deze open voor bezoekers en hield een gastenboek bij. Ook correspondeerde hij over zijn antiquiteiten met geleerden als Johannes Pontanus, Constantijn Huygens, Johannes Gronovius, Nicolaas Heinsius, Claudius Salmasius en Franciscus Junius. In de jaren voor zijn overlijden zette Smetius zich in voor de oprichting van een stadsbibliotheek en een plaatselijke academie.

II. Geschriften

Smetius publiceerde (NederJandstalige en Latijnse) poezie en oudheidkundige geschiedschrijving. In 1630 verscheen van hem een zegezang op de Staatse verovering van Olinda (Brazilie). Een lofdicht op Nijmegen en omgeving verscheen in 1646 onder de titel Triga poetarum, samengesteld uit Vergilius, Statius en Ausonius. In 1644-1645 publiceerde Smetius zijn bevindingen aangaande de oudste geschiedenis van Nijmegen: Oppidum Batavorum, seu Noviomagum, voor een belangrijk deel gebaseerd op onderzoek naar Romeinse bodemvondsten. In dit boek bewees Smetius dat Nijmegen het in Tacitus’ Historiae V.19 vermelde ‘oppidum Batavorum’ moest zijn geweest. De Nijmeegse magistraat beloonde Smetius voor deze publicatie met een bedrag van 300 gulden ineens en een jaargeld van 150 gulden gedurende zijn leven en dat van zijn vrouw. Zijn oudste zoon Johannes Smetius (1636­1704) liet in 1678 een gei11ustreerde catalogus van de collectie verschijnen, Antiquitates Neomagenses, met teksten van zichzelf en zijn vader.

III.Werken

Poezie:

» Epinicium in Olindam …a Batavis captam, Nijmegen 1630. » Triga poetarum …, Nijmegen 1646.

Historiografie:

» Oppidum Batavorum, seu Noviomagum …,Amsterdam 1644-1645. » Antiquitates Neomagenses …, Nijmegen 1678.

Brieven te vinden in brievenedities:

» A. Matthaeys, Veteris aevi analecta III, Leiden 1738, 749. » G.C. in de Betouw, De castris veteribus; Idem, De columna militaria; Idem, De fibulis antiquorum; idem, De lucernis veterum; idem, De monumentis sepulcralibus, Nijmegen 1783. » N.C. Kist,Levensberigt van Johannes Smetius, opgemaakt uit oorspronkelijke meest ongedrukte stukken, Archief voor kerkelijke geschiedenis 4 (1833) 116-230. » J.A. Worp, De briefwisseling van Constantijn Huygens (1608-1687) I-IV (s-Gravenhage 1911­1915).

IV. Literatuur

» N.C.Kist,‘Levensberigt van Johannes Smetius,opgemaakt uit oorspronkelijke meest ongedrukte

stukken’, Archief voor kerkelijke geschiedenis 4 (1833) 116-230. » J.M.G.M. Brinkhoff,‘Hulde aan de Belvedere’, Numaga 5 (1958) 87-101. » J. Laisina,‘Handschrift en genealogie Smetius’, Gens nostra 41 (1986) 203-214. » H. Brunsting, Johannes Smetius als provinciaal-Romeins. archeoloog, Nijmegen 1989. » S.Langereis,‘Inleiding’in:Johannes Smetius, Nijmegen, stad der Bataven, I, ed.A.A.R. Bastiaensen,

S. Langereis en L.G.J.M. Nellissen, ed. en vert., Nijmegen 1999, 7-141.

[Sandra Langereis]

Citeerinstructie:

Sandra Langereis,‘Johannes Smetius’in:Jan Bloemendal en Chris Heesakkers,eds., Bio-bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www. dwc.huygensinstituut.nl