Schonaeus, Cornelius (1540-1611)

I. Biografie

Cornelis Schoon (Gouda 1540 – Haarlem 23.11.1611) was de oudste zoon van Adriaen Corneliszoon Schoon, metselaar te Gouda, en Machtelt Claesdochter. Omstreeks 1549 ging hij naar de Grote of Latijnse School in zijn geboorteplaats. Daar kreeg hij als leerling van de vierde en derde (= hoogste) klas van 1 november 1554 tot 25 juli 1556 onderricht van rector Wijbrandt Dominicuszoon Bornstra. Eind juli 1556 verliet hij de school, waarna hij wellicht nog elders (Utrecht?) een Grote School met de kopklassen secunda en prima heeft bezocht. Op 28.8.1560 liet hij zich aan de universiteit van Leuven immatriculeren, als student van de pedagogie Het Varken. Zijn studie in de artes heeft hij echter niet met het licentiaat bekroond, waarschijnlijk wegens ziekte en een verminderde interesse voor de artesopleiding.Vermoedelijk op 1.5.1564 werd hij tot ludimagister of lector quintanorum van de Grote Latijnse School van Haarlem aangesteld. In 1565 of 1566 trad hij in het huwelijk met de eveneens uit Gouda afkomstige Weyntgen Jacobsdochter (van) Blyenburg die hem minstens zeven kinderen schonk.Op 1.5.1566 werd hij ook een tijdlang belast met de koorzang der scholieren.Nadat hij vóór 26.6.1568 nog lector quartanorum of conrector van de Haarlemse school was geworden, verliet hij deze in december 1571 om op 1.1.1572 het rectoraat van de “groote gemeene schoele”van Den Haag op zich te nemen.Het met de Haagse magistraat gesloten contract voor vier jaar diende hij evenwel niet uit, want reeds op 9.11.1574 sloot hij met de burgemeesters van Haarlem een “accort” om daar de overleden rector Cornelis Jacobszoon Ketel op te volgen.In 1582 overwoog de Haarlemse magistraat om hem te ontslaan en te vervangen door een andere rector die ook openbare lessen aan volwassenen zou geven en tevens regent zou zijn van een in het voormalige cellenbroersklooster op te richten “collegie” voor veelbelovende scholieren. Omdat de missie van enkele “commissarissen” naar Leiden, om daar een nieuwe rector aan te trekken, geen succes had, werd Schonaeus echter in zijn ambt gehandhaafd.Toen in 1583 de Grote School van de Schoolsteeg naar het “geapproprieerde” cellenbroersconvent in de Jacobijnestraat werd overgebracht,werd daarin ook een nieuwe ambtswoning voor Schonaeus ingericht, terwijl er tevens woonruimte voor commensalen werd gecreëerd.Vanaf mei 1597 werd Schonaeus, na een ingrijpende reorganisatie van de Grote Latijnse School, terzijde gestaan door zijn oud-leerling Theodorus Schrevelius die tot conrector werd aangesteld. Toen de last der jaren en de grootte van de school steeds zwaarder op hem gingen drukken, verzocht hij Schrevelius om het roer van de school over te nemen. Deze nam daarop vanaf juli 1604 – maar mogelijk reeds ruim een jaar eerder – de derde klas of rectorsklas onder zijn hoede ten teken dat hij de facto rector was, terwijl Schonaeus les ging geven in de vijfde klas en de iure rector bleef. Op 23.6.1609 werd hij op eigen verzoek door de Haarlemse burgemeesters ontslagen, met behoud van zijn wedde en emolumenten, en werd Schrevelius tot zijn opvolger benoemd. Bij diens inauguratie, op 25.7.1609, verdween Schonaeus definitief van het schooltoneel, na een rectoraat van bijna 34 jaar en negen maanden.Wanneer men bij die periode ook nog de ruim zeven en een half jaar optelt die hij in Haarlem ludimagister was, heeft hij in totaal zelfs meer dan veertig jaren zijn beste krachten aan het onderwijs in de Spaarnestad gegeven.Op 23.11.1611 overleed Schonaeus te Haarlem.Twee

of drie dagen later werd zijn stoffelijk overschot in de Grote Kerk van die plaats ter aarde besteld. Schrevelius schreef voor zijn vereerde leermeester een vierregelig epitafium. Schonaeus’ zinspreuk luidde:“Nullum simulatum diuturnum” (‘Eerlijk en oprecht duurt het langst’).

II. Geschriften

Schonaeus’oeuvre bestaat uit dramatische en lyrische poëzie,een schoolreglement,een boekencatalogus en een schoolgrammatica.

Tot zijn dramatische poëzie behoren dertien bijbelse toneelstukken (‘comoediae sacrae’), drie kluchten (‘fabulae ludicrae’), een schoolkomedie (‘comoedia nova’) en een gelegenheidsstuk (Fabula comica). Omdat de blijspelen van Plautus (ca. 251-184 v. Chr.) en – in mindere mate – Terentius (ca. 190-159 v. Chr.) in Schonaeus’ tijd wegens hun vaak scabreuze inhoud ongeschikt werden geacht om door scholieren te worden gelezen en opgevoerd, ging hij zelf toneelstukken schrijven. De stof hiervoor ontleende hij aan de Bijbel, terwijl hij voor zijn taal en stijl Terentius als model koos, omdat deze voor hem het onovertroffen voorbeeld van zuiver en elegant Latijn was. Op die manier hoopte hij dat zijn ‘komedies’zouden bijdragen tot de zedelijke vorming van zijn leerlingen en hen vertrouwd zouden maken met de elegantie van Terentius’ urbane omgangstaal en voorbeeldige conversatiestijl, wat zeer bevorderlijk was voor een correcte actieve beheersing van de Latijnse spreektaal. Bovendien zouden toneeluitvoeringen van zijn stukken het geheugen van de spelers trainen en hen leren zich in het openbaar te bewegen. Schonaeus’ kluchten en schoolkomedie danken hun ontstaan aan zijn verlangen om bij speciale gelegenheden, zoals carnaval, zijn leerlingen vertier te bieden en het publiek de zorgen om het dagelijkse bestaan even te laten vergeten. Ook bij het schrijven van deze stukken stond voor hem,naar eigen zeggen,steeds het belang van de schooljeugd voorop:zij mochten daarom niet platvloers of banaal zijn en er mochten geen schunnigheden in voorkomen. Zijn laatste toneelstuk, Fabula comica, is geschreven voor het grote rederijkerslandjuweel dat in 1606 te Haarlem werd gehouden.Het stuk was bedoeld om het goede doel van het feest,geld inzamelen voor de bouw van een oudemannenhuis, te promoten.

Schonaeus debuteerde in 1569 met het bijbelse drama Tobaeus en een bundel verzen (Carminum libellus). In 1570 volgden twee nieuwe ‘comoediae sacrae’: Nehemias. De instauratione Hierosolymae comoedia sacra en Saulus Conversus. In 1572 gaf hij zijn vierde ‘gewijde komedie’ uit: Naaman. Nadat in 1580 en 1581 door Christoffel Plantijn een nieuwe uitgave van zijn herziene Tobaeus, Saulus Converus en Naaman Nehemias was reeds in 1570 door Plantijn gedrukt – was verzorgd, verschenen de vier stukken in 1591, gebundeld onder de titel Terentius Christianus, in Keulen. Deze editie kwam niet op initiatief van Schonaeus zelf tot stand, maar werd buiten zijn medeweten bezorgd door zijn Goudse oud-studiegenoot en vriend Cornelius Loosaeus Callidius. De uitgave zette in eerste instantie kwaad bloed bij de auteur, omdat hij de titel Terentius Christianus te pretentieus vond en vreesde dat deze de afgunst zou wekken van mensen die niet wisten dat alles buiten hem om bedisseld was. Bovendien ergerde hij zich aan het feit dat de editeur in zijn stukken onnodige castigaties had aangebracht, waardoor de tekst ervan niet beter maar juist slechter was geworden. Dat was voor hem reden om in 1596 en 1598 in Keulen en Antwerpen een nieuwe editie van de Terentius Christianus te laten drukken. Deze was inmiddels door het ontstaan van twee nieuwe bijbelse drama’s, Iosephus (1590) en Iuditha (1592), die met de vier oudere stukken waren gebundeld in de Sacrae comoediae sex-editie van Haarlem 1592 en de Terentius Christianus-editie van Keulen 1595, van vier tot zes toneelstukken uitgegroeid. Schonaeus’ zevende bijbelse spel, Daniel, verscheen in 1596, gevolgd door zijn Susanna in 1599. In dat jaar verscheen ook Triumphus Christi, het eerste bijbelse drama waarvan de stof geput was uit het Nieuwe Testament. Eveneens ontleend aan het Nieuwe Testament waren de thema’s van Typhlus, Pentecoste en Ananias die alledrie tezamen in 1602 uitkwamen. Schonaeus’ laatste bijbelse drama was Baptistes, een ‘tragicomoedia’ die in 1603 het licht zag. Zijn oudste klucht, Pseudostratiotae, verscheen voor het eerst, samen met zijn zes oudste bijbelse spelen, in 1592 te Haarlem.Vier jaren later, in 1596, volgden in één editie zijn kluchten Cunae en Vitulus. Zijn vierde blijspel, Dyscoli, een schoolkomedie in engere zin, verscheen met de Baptistes en de zo-even genoemde drie kluchten voor het eerst in het derde deel van zijn Lucubrationes in 1603. Schonaeus’ roem berust vooral op zijn bijbelse spelen die hem de weidse titel Terentius Christianus opleverden en die met grote regelmaat tot laat in de achttiende eeuw op vele plaatsen in Europa werden herdrukt. De dedicaties van de door hem zelf bezorgde edities met bijbelse spelen en kluchten zijn voor het merendeel gericht tot de raad en magistraat van Haarlem, maar er zijn er ook die bestemd zijn voor de magistraat van Gouda en voor Goudse en Haarlemse vrienden.

Schonaeus’lyrische poëzie omvat een bundel elegieën (‘Liber elegiarum’),een bundel epigrammen (‘Liber epigrammatum’),en een groot aantal verzen op prenten.Zijn eerste bundel gedichten verscheen, tegelijk met zijn Tobaeus,in 1569 onder de titel Carminum libellus.Hij was opgedragen aan de geleerde Haarlemse burgemeester Jan van Zuren en bevat onder meer gedichten die waren toegewijd aan andere Haarlemse vrienden als Quirinus Talesius, Joannes Voccinius en Philips van Hogesteijn. Een tweetal gedichten is, tekenend voor de vroomheid van de auteur, gericht tot Christus of handelt over diens leven. In gereviseerde vorm gaf de auteur zijn gedichten opnieuw in druk in 1592; maar omdat hun aantal intussen enorm was toegenomen, verdeelde hij de nieuwe collectie in een verzameling elegieën (opgedragen aan Timan van Wou) en een epigrammenbundel (gededicaceerd aan Eugenius Perebomius).Als het waar is,wat de schrijver zegt,dat een groot aantal gedichten hierin op jeugdige leeftijd (“admodum adolescens”) ter oefening en verpozing is geschreven, dan betekent dit – gezien het afgevijlde karakter ervan – dat zij door hem als scholier en student zijn geconcipieerd maar dat zij daarna nog vaak zijn herzien. In latere edities van Schonaeus’ werken werd deze elegische en epigrammatische poëzie steeds in het derde deel uitgegeven. In zijn ‘Liber epigrammatum’ is een vrij groot aantal verzen opgenomen die hij heeft geschreven om als onderschrift te dienen op prenten van graveurs als Coornhert, Goltzius, Saenredam, Matham, Clock, Drebbel en anderen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het aantal gedichten dat hij met dat doel heeft gedicht, veel groter is dan het aantal dat in de epigrammenbundel staat afgedrukt.

Het door Schonaeus opgestelde schoolreglement (Leges scholasticae) verscheen in 1576,op initiatief van de bisschop van Haarlem.Het was bedoeld voor de Latijnse scholen van Haarlem,Amsterdam en alle andere scholen in het diocees Haarlem. Lang is het niet van kracht gebleven, want na de alteratie van Amsterdam op 26 mei 1578 en de Haarlemse Noon drie dagen later bestond het gezag van de bisschop niet meer.

Kort na de Haarlemse Noon heeft Schonaeus, op last van de magistraat van Haarlem, met een van zijn leerlingen veertien dagen gewerkt aan het opstellen van een catalogus van het boekenbezit van de Haarlemse predikheren- en minderbroederskloosters. De boeken waren bestemd voor de Leidse universiteitsbibliotheek in opbouw, maar zijn daar – voorzover bekend – nooit gearriveerd. Schonaeus’ catalogus is verloren gegaan.

Omstreeks 1580 schreef Schonaeus,in opdracht van de Staten van Holland,een Latijnse grammatica die bedoeld was om te worden gebruikt op alle scholen van Holland en Zeeland. Helaas mislukte deze poging om tot meer uniformiteit van leermiddelen op de Latijnse scholen te komen jammerlijk. Wèl is de “nae de stijl”van Cornelius Valerius – mogelijk een van Schonaeus’professoren te Leuven – geschreven spraakkunst op de Grote Latijnse School van Haarlem in gebruik geweest, maar tot op heden is nog geen exemplaar daarvan voor de dag gekomen.

III.Werken

Voor een gedetailleerde beschrijving van Schonaeus’gedrukte werken,zie H.van de Venne,Bibliographia Schonaeana (1569-1964).A Bibliography of the Printed Works of Cornelius Schonaeus Goudanus,Amersfoort 2003 [= Haarlem reeks 15.3].Heruitgave van de Tobaeus in M.Verweij,Het thema Tobias in het Neolatijnse schooltoneel in de Nederlanden in de 16e eeuw. De tobaeus van Cornelius Schonaeus (1569) en de tobias van Petrus Vladeraccus (1598), Leuven 1993 [148-216]; Heruitgave van Pseudostratiotae, Cunae, Vitulus en Dyscoli in H. van de Venne, Cornelius Schonaeus Goudanus. Blijspelen. Uitgegeven met inleiding, vertaling en toelichting,Amersfoort 2008;Heruitgave van de Iosephus in J. Bloemendal, J. Groenland en een werkgroep studenten GLTC van de UvA,Iosephus (1590).Een bijbelse komedie van de Christelijke Terentius uit Haarlem,Amersfoort 2008 [= Scaenica Amstelodamensia 2]

IV. Literatuur

BHAPB 1972;BHAPB 1988;H.van de Venne,‘Cornelius Schonaeus Goudanus en zijn contacten met het Antwerpse boekbedrijf, inzonderheid de Officina Plantiniana 1568/69-1610’, in M. de Schepper,

F. de Nave, reds., Ex officina Plantiniana Moretorum. Studies over het drukkersgeslacht Moretus,Antwerpen 1996 [= De Gulden Passer, 74],307-342;H.van de Venne, Cornelius Schonaeus Goudanus (1540-1611), Deel 1, Leven en werk van de Christelijke Terentius. Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van de Latijnse Scholen van Gouda, ’s-Gravenhage en Haarlem, Voorthuizen 2001 [= Haarlem reeks 15.1]; H. van de Venne, Cornelius Schonaeus Goudanus (1540-1611), Deel 2, De vriendenkring. Gedichten aan en van zijn vrienden,Voorthuizen 2002 [= Haarlem reeks 15.2]; H. van de Venne, Cornelius Schonaeus Goudanus (1540-1611). Overzicht van zijn elegische, epigrammatische en dramatische poëzie,Voorthuizen 2001; H. van de Venne, Cornelius Schonaeus Goudanus (1540-1611).Vijfentwintig brieven en vier albuminscripties (1568-1611),Voorthuizen 2001.

[H. van de Venne]

Citeerinstructie:

H.van de Venne,‘Cornelius Schonaeus’in:Jan Bloemendal en Chris Heesakkers,eds., Bio-bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www.dwc.huygensinstituut.nl