Neuhusius, Henricus (1614-1685?)

I. Biografie

Henricus Neuhusius (Leeuwarden 1614 – Leeuwarden in of na 1685) was de tweede zoon van de Leeuwarder rector Edo Neuhusius en een jongere broer van Reinerus. Hij is 2.8.1631 in Franeker ingeschreven als student, daarna in Leiden (17.6.1634). Hij promoveerde in 1635 in Orleans. Teruggekeerd in Leeuwarden werd hij 9.2.1636 tot advocaat benoemd bij het Hof van Friesland.Vanaf 1650 was hij tevens pensionaris van Workum. In 1656 verschijnt zijn (enige) bundel Extemporanea Poemata. Ook daarna bleef hij een vruchtbaar schrijver van Latijnse poëzie, waarin hij het openbare leven in Friesland becommentarieerde.Zijn laatste bekende gedicht is een Votum Neuhusianum ter gelegenheid van het eeuwfeest van de Franeker Academie in 1685.Vermoedelijk is hij niet lang daarna overleden. Hij behoorde tot het geestelijke en culturele milieu van de Friese hofcultuur rondom de stadhouder Willem Frederik, waartoe vele dichtende predikanten en geleerden als de Leeuwarder rector T. Gutberleth en S.A. Gabbema en de Bolswarder schoolmeester Gysbert Japix behoorden.

II. Geschriften

Neuhusius’ werk bestaat uit gelegenheidpoëzie, gebundeld in de Extemporanea Poemata en vele los uitgegeven gedichten. Ook schreef hij tal van drempel- en lofverzen op andermans werk en ter gelegenheid van disputaties en promoties. Zijn bundel is opgedragen aan de Friese stadhouder en Gedeputeerde Staten, die hem door huwelijk en overlijden stof tot poëzie gaven. Hij hoopt “een niet geheel onwaardige erfgenaam van zijn vader” te zijn. Zijn doelgroep bestaat uit studiegenoten, collega-juristen, predikanten, Franeker hoogleraren en leden van het Friese stedelijk patriciaat. Bij de Friese adel viel hij minder in de smaak, vermoedelijk vanwege zijn wat lossere zeden en zijn kritiek op die adel,die hij als “luie cultuurbarbaren”hekelde in zijn vers De Nobilitate. Zijn gedichten hebben een vrome, calvinistische inslag, vooral zijn troostverzen bij het overlijden van familie en vrienden. Zij getuigen van een nauwe verbondenheid met Friesland. Hij schrijft gemakkelijk,“voor de vuist weg” en zijn verzen lopen soepel. Zijn poëzie oogstte bewondering van tijdgenoten en werd vaak geciteerd.Hofman Peerlkamp veroordeelde zijn werk als te snel geïmproviseerd,“subito et male”en te weinig doorwrocht. Hij gispt zijn vele neologismen en afwijkingen van het Latijn van Cicero.

III.Werken

Poëzie:

» Extemporanea Poemata, Leeuwarden 1656 » Vele losse verzen, voor een deel opgenomen in Frisia Nobilis, Leeuwarden 1755

IV. Literatuur

» Hofman Peerlkamp 1822,357;T.H.Siemelink,‘De Geschiedenis van de stad Workum’,in De Vrije Fries XX, 1902, 83-109; G.A.Wumkes, Paden fen Fryslân I, Boalsert 1932, 261-269; BHAPB 1972, 1988; J. J. Kalma, Men meldt ons uit Friesland, Leeuwarden 1973, 356-375; Ph. H. Breuker, It wurk fan Gysbert Japix, Leeuwarden 1989, II, 237 e.v.; F. Postma en J. van Sluis, Auditorium Academiae Franekerensis, Leeuwarden 1995

[P. van Tuinen]

Citeerinstructie:

P.van Tuinen,‘Henricus Neuhusius’in:Jan Bloemendal en Chris Heesakkers,eds., Bio-bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www. dwc.huygensinstituut.nl