Lipsius, Justus (1547-1606)

Justus Lipsius (Joost Lips) (Overijse 18.10.1547-Leuven 23.3.1606) ging na een studieperiode bij de Keulse jezuïeten rechten studeren aan de Leuvense universiteit (14.8.1564). Na het behalen van het baccalaureaat vertrok hij einde augustus 1568 op humanistenreis naar Rome, een verblijf dat bijzonder belangrijk was voor zijn verdere vorming en publicaties: zijn interesse voor de klassieke Oudheid groeide nog door de persoonlijke confrontatie met allerlei monumenten en opschriften, en vooral met de rijkvoorziene bibliotheken van grote humanisten. In mei 1569 trad Lipsius in dienst bij kardinaal Granvelle als secretaris voor diens Latijnse correspondentie. In het voorjaar 1570 keerde hij terug naar Leuven en zette zijn rechtenstudie verder; einde 1571 – begin 1572 vertrok de jonge humanist via Dôle naar Wenen, waar hij aan het keizerlijk hof zijn contacten met invloedrijke tijdgenoten verder uitbouwde, relaties die hij via zijn correspondentie zou onderhouden. Op 23 oktober werd Lipsius te Jena aangesteld tot hoogleraar geschiedenis, een functie die hij bekleedde tot maart 1574. In 1575 vertoefde hij opnieuw in de Nederlanden en promoveerde op 23.1.1576 te Leuven tot licentiaat in de rechten. Midden 1577 nam de onrust in de Nederlanden toe: landvoogd Don Juan en Alexander Farnese begonnen aan een succesvolle opmars om een zo groot mogelijk gebied opnieuw onder Spaans bewind te brengen. Velen sloegen op de vlucht voor de Spaanse troepen. Lipsius vertrok begin 1578 naar Leiden op uitnodiging van zijn vriend Janus Dousa, één van de curatoren van de pas opgerichte universiteit. Dousa veronderstelde terecht dat zijn aanwezigheid een aantrekkingspool zou vormen voor vele jongeren uit de Nederlanden en daarbuiten.

De Leidse periode was ongetwijfeld de meest creatieve en gelukkigste van Lipsius’leven. Uit de alsmaar groeiende correspondentie van deze jaren blijkt duidelijk dat de humanist steeds meer waardering ondervond voor zijn kennis van het Latijn en van de leefwereld van de Oudheid. In 1589 verscheen één van Lipsius’ meest controversiële werken, de Politica, verdeeld in zes boeken waarin hij eerst de morele kwaliteiten bespreekt waarover een vorst moet beschikken, en vervolgens het politieke en militaire inzicht dat men van hem als bestuurder mag verwachten. Vooral de hoofdstukken over de relatie tussen staat en godsdienst, en over godsdienstvrijheid lokten een heftige polemiek uit met Dirck V. Coornhert,wat uiteindelijk mee de doorslag gaf om Leiden vaarwel te zeggen. Een omslachtige tocht via Noordzee, Elbe-monding, Lüneburger heide en Frankfurt bracht Lipsius op 14.4.1591 te Mainz waar hij bij de jezuïeten biecht sprak en zich verzoende met de katholieke kerk. Via de Rijn- en de Moezelvallei bereikte hij op 19 mei Spa. Meteen schreef hij een aantal prominenten in het Zuiden om zijn terugkeer zo snel mogelijk te regelen,want na dertien jaar in het calvinistische Leiden stonden velen argwanend tegenover zijn rechtgelovigheid en zijn trouw aan de Spaanse koning. In afwachting huurde Lipsius enkele kamers te Luik en wijdde zich volop aan zijn studie. Hij plande nl. een uitgave van alle antieke geschiedschijvers, Latijns en Grieks, met commentaar: de Fax Historica. Op 9.8.1592 kwam Lipsius eindelijk te Leuven aan. Op 12 september werd hij benoemd tot professor in de Oude Geschiedenis, twee maanden later tot professor Latijn. Op 14.12.1595 stelde Filips II de humanist aan tot koninklijk geschiedschrijver, een erefunctie met een jaartoelage van duizend florijnen. Toen de aartshertogen Albrecht en Isabella hun Blijde Inkomst hielden te Leuven,bezochten zij de universiteit en volgden een college van Lipsius. Na 1600 concentreerde hij zijn onderzoek op de filosofie, wat leidde tot de langverwachte editie van Seneca’s filosofische werken, opgedragen aan paus Paulus V (1605). Onder invloed van de Contrareformatie en de promotie van de Mariacultus door de jezuïeten en de aartshertogen wijdde Lipsius enkele monografieën aan de mirakelen die betuigd waren te Halle en te Scherpenheuvel. Eind 1605 verscheen nog Lovanium, een beschrijving en geschiedenis van de stad Leuven en haar universiteit. Op 18.3.1606 werd Lipsius zwaar ziek; in de nacht van 23 op 24 maart overleed hij. Hij werd begraven in de minderbroederskerk.

Het belang van Lipsius situeert zich op veschillende domeinen: als filoloog werd hij voortdurend geraadpleegd omdat hij zo vertrouwd was met de antieke auteurs. Zijn eigen tekst-kritische publicaties getuigen van een uitzonderlijk inzicht in de teksten en van een fenomenale encyclopedische kennis van de antieke leefwereld. Lipsius’ naam werd ook geassocieerd met een ‘nieuwe’ Latijnse stijl: waar humanisten voordien bij voorkeur het spoor volgden van Cicero, creëerde Lipsius zijn eigen specifieke schrijfwijze, asymmetrisch en gebald, naar het voorbeeld van zijn lievelingsauteurs Tacitus en Seneca. Qua woordgebruik greep hij regelmatig terug naar archaïsche of poëtische uitdrukkingen

(o.a. Plautus). Als filosoof heeft Lipsius een diepgaande invloed uitgeoefend op het denken van de zeventiende en de achttiende eeuw. Zowel in zijn politieke ideeën, als in zijn optreden als pedagoog heeft hij ernaar gestreefd het gedachtengoed van de Stoa aan te passen aan de noden van zijn tijd. Toch kreeg de Leuvense humanist veel tegenwind:het feit dat hij na dertien jaar in het calvinistische Leiden terugkeerde naar het katholieke, Spaanse Zuiden, maakte hem controversieel bij beide partijen.

Lipsius zou al zijn werken toevertrouwen aan Plantijn en zijn schoonzonen Raphelengius en Moretus.

II. Geschriften

Lipsius’oeuvre bestrijkt het domein van filologie,(antieke) geschiedenis,filosofie,retoriek,devotie en lyriek. Tijdens zijn verblijf in Rome droeg hij zijn eerste publicatie, de Variarum Lectionum Libri IV op aan Granvelle (1568). In Jena legde Lipsius de laatste hand aan zijn kritische uitgave van Tacitus (1575). Deze editie, enkele jaren later aangevuld met een uitgebreid commentaar (1581), groeide uit tot één van zijn invloedrijkste werken; ze werd nog verschillende keren door de auteur herzien en bijgewerkt aan de hand van nieuw verschenen commentaren. Tijdens zijn Leidse periode publiceerde Lipsius, naast de Tacituscommentaar en enkele tekstkritische bloemlezingen, traktaten die zijn interesse voor de antieke Oudheid illustreren,o.m.over de gladiatorenspelen (1582) en het amfitheater (1584-1585). Zijn groeiende belangstelling voor filosofie kwam tot uiting in de De Constantia (1584). Ook de eerste verzamelingen van honderd brieven (Centuriae I et II) zagen het licht. De eerste Leuvense publicatie was De Cruce, over kruisiging als straf in de Oudheid (1593-1594). In de volgende jaren publiceerde hij traktaten over het Romeinse leger (De militia Romana,1595) en zijn belegeringstuigen (Poliorcetica, 1596) die veel succes kenden: onder invloed van de Turkse opmars in Centraal-Europa was in het Westen de overtuiging gegroeid dat alleen het Romeinse systeem kon wedijveren met de legerorganisatie van de Turken, en daadwerkelijk hulp bieden tegen de dreiging uit het Oosten. Lipsius schreef nog één groot historisch traktaat, zijn Admiranda Romana, over de grootsheid van Rome als hoofdstad van het oude imperium én als centrum van de katholieke wereld (1598). Begin 1601 en 1602 publiceerde Lipsius nogmaals zeshonderd brieven. Aan de Seneca-editie (1605) liet hij de Manuductio ad Stoicam philosophiam en de Physiologia Stoicorum vooraf gaan (1604). Ook de Diva Virgo Hallensis verscheen in 1604; de Diva Aspricollis een jaar later. Een derde Mariatraktaat, de Diva Lovaniensis (2000),gewijd aan de Sedes Sapientiae van de Leuvense St-Pieterskerk bleef ongepubliceerd, wellicht omwille van Lipsius’ vrij onverwache dood. Postuum werden nog twee Centuriae brieven uitgegeven. Lipsius schreef ook een groot aantal gelegenheidsgedichten: epithalamia, epitaphia, praeliminaria in werken van tijdegnoten, Een deel hiervan werd postuum verzameld door Franciscus Sweertius in Musae Errantes,Antwerpen 1610.

III.Werken

cf. BB 3, 883-1125 (L—126-526). Brieven in brievenedities van o.m.Acidalius (1606),Puteanus (1603,1612),Casaubon (1656),Gabbema (1663), Burman (1727), Ortelius (1887),Torrentius (1950-1954), Canter (1997).

IV. Literatuur

BHAPB 1972, 1988; Juste Lipse (1547-1606), A. Gerlo, ed., Colloque international (mars 1987) ( = Travaux de l’Institut Interuniversitaire pour l’étude de la Renaissance et de l’Humanisme, 9), Brussel 1988; Juste Lipse (1547-1606) en son temps. Actes du colloque de Starbourg, 1994, C. Mouchel, ed., Colloques, congrès et conférences sur la Renaissance, 6, Parijs 1996; The world of Justus Lipsius: A contribution towards his intellectual biography. Proceedings of a colloquium held under the auspices of the Belgian Historical Institute in Rome (Rome, 22-24 May 1997), M. Laureys, ed., Bulletin van het Historisch Instituut te Rome, 68 (1998); Justus Lipsius in Leiden. Studies in the Life and Works of a great Humanist,

K. Enenkel – C. Heesakkers, eds.,Voorthuizen 1997; Lipsius en Leuven. Catalogus van de tentoonstelling in de Centrale Bibliotheek te Leuven, 18 september -17 oktober 1997, G. Tournoy -J. Papy -J. De Landtsheer, eds., (= Supplementa Humanistica Lovaniensia, 13), Leuven 1997; Justus Lipsius (1547­1606) en het Plantijnse Huis, R.Dusoir – J.De Landtsheer – D.Imhof,eds.,Publicaties van het Museum Plantin-Moretus en het Stedelijk Prentenkabinet,37),Antwerpen 1997; Iustus Lipsius, Europae Lumen et Columen: Proceedings of the International Colloquium Leuven 17-20 September, 1997, G.Tournoy – J. De Landtsheer – J. Papy, eds., (= Supplementa Humanistica Lovaniensia, 15), Leuven 1999. Zie ook de lopende bibliografie in het Supplementum Bibliographicum van Humanistica Lovaniensia.

[J. De Landtsheer]

Citeerinstructie:

J. De Landtsheer, ‘Justus Lipsius’ in: Jan Bloemendal en Chris Heesakkers, eds., Bio-bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www. dwc.huygensinstituut.nl