Keuchenius (Cuchenius), Robertus (1636-1673)

I. Biografie

Keuchenius (Cuchenius), Robertus (Arnhem, 10 augustus 1636 – Arnhem, 19 september 1673). Robertus Keuchenius, zoon van Samuel, dient niet verward te worden met zijn verwant, naamgenoot en tijdgenoot, de Groningse predikant Robertus Keuchenius, Petri filius. Diens Album Amicorum werd op 15 juli 1656 getekend door onze ‘Robertus Keuchenius S[amuelis] F[ilius]’ (Groningen, Universiteitsbibliotheek, zonder verdere signatuur, fol. 185; R. Keuchenius P.F. schreef zich op 11 juni 1653 in als student aan de Universiteit van Groningen,‘Gratis propter parentem’, en studeerde theologie en oosterse talen gedurende zijn peregrinatio academica, 1656-1658).

Veel over het vroege leven van de Latijnse dichter Robertus Keuchenius S.F. is er niet bekend. Hij werd geboren in Arnhem als zoon van de ‘medicus provincialis’ Samuel Keuchenius van Kleef (overl. 1647), zoon van Robertus sr., lijfarts van de keurvorst van Brandenburg. Keuchenius studeerde onder J. F. Gronovius, mogelijk in Deventer. Op 28 augustus 1658 behaalde hij in Leiden zijn doctoraat in de rechten. In mei 1660 droeg hij een episch gedicht op aan Karel II, toen deze Den Haag verliet en koers zette naar Engeland om daar tot koning gekroond te worden.Ironisch genoeg vierde Keuchenius zes jaar later,tijdens de Tweede Engelse Oorlog, een Nederlandse overwinning op Karel’s vloot, middels het uitspreken van een openbare Latijnse feestrede. Doordat hij op uitgekiende wijze zijn werken opdroeg aan invloedrijke figureren, werd hij in 1661 benoemd tot hoogleraar geschiedenis aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre. Aanvankelijk werd hij niet bezoldigd, maar vanaf oktober 1662 ontving hij jaarlijks 300 gulden. Een verzoek om salarisverhoging werd in 1664 geweigerd. In 1667 verliet hij de Illustre School en vertrok hij naar Frankrijk, in de hoop er een positie te verwerven aan het hof door het opdragen van gedichten aan Lodewijk XIV. Nadat dit plan op niets was uitgelopen, reisde hij door naar de Palts om dezelfde strategie te beproeven met de Keurvorst aldaar, Karel I Lodewijk. Deze poging was evenmin succesvol en in 1670 vinden we Keuchenius terug in Arnhem. Daar wijdde hij de laatste drie jaar van zijn leven aan het bestuderen van de geschiedenis van zijn geboorteplaats. Keuchenius is een typisch voorbeeld van een tweederangs dichter die zijn carrière trachtte op te bouwen door gelegenheidsgedichten en filologisch werk op te dragen aan potentiële beschermheren. De matige kwaliteit van zijn werk zou kunnen hebben bijgedragen aan het falen van de meeste van zijn plannen.

II. Geschriften

Keuchenius’ literaire werk bestaat uit Latijnse poëzie, meest gelegenheidswerk. Zijn wetenschappelijke werk omvat drie edities van Romeinse auteurs (elk eenmaal herdrukt), waaronder het incomplete medische leerdicht van Samonicus, gevolgd door Rhemmius Palaemon’s leerdicht over gewichten en maten. Keuchenius’ uitgave van de schoolauteur Nepos bevat een handige chronologie van Griekse olympiades. Hij produceerde ook een aantal redevoeringen en schreef enkele ongepubliceerde delen van een geschiedenis van Arnhem, deels op metrum. Zijn Anglia triumphans aan Karel II is een kort episch gedicht (een poemation van 384 hexameters), ter gelegenheid van de restoratie van het Engelse koningshuis. Het is in typografisch opzicht een indrukwekkend boekwerk, in folio. Naast het poemation bevat het enkele korte gedichten op verscheidene leden van de huis Stuart, alsmede gedichten van anderen, zoals van Nicolaas Heinsius, Willem de Groot en Jacob van der Does. Het werk is herdrukt in Keuchenius’ Musae iuveniles, zijn belangrijkste collectie gedichten. Deze bundel bevat ook een kort episch gedicht voor de Amsterdamse hoogleraar filosofie Johannes Klenckius, die eveneens een werk voor Karel II had geschreven.Wellicht dankte Keuchenius zijn Amsterdamse benoeming aan de voorspraak van Klenckius, maar de opdracht van zijn editie van Frontinus’ Strategemata aan Gerard Schaep, curator van het Athenaeum, zal waarschijnlijk ook tot deze aanstelling hebben bijgedragen. In dit werk benadrukte Keuchenius de overeenkomsten tussen het praetorschap (onder keizer Vespasianus) van Frontinus, en het burgermeesterschap van Schaep. Keuchenius’ inaugurele rede, Het lot van de Romeinse welsprekendheid, geeft aan dat hij, zoals te doen gebruikelijk, geschiedenis en welsprekendheid combineerde in zijn leeropdracht. Intussen liet hij niet af gelegenheidsgedichten te schrijven, bijvoorbeeld een drempeldicht voor een door Klenckius in 1662 verzorgde uitgave van Hugo Grotius’ De iure belli ac pacis. Hij droeg zijn Musae iuveniles op aan Simon van Hoorn, curator van de Amsterdamse Illustre School. Deze collectie omvat lange epische gedichten, elegieën, epigrammen, en verscheidene andere vormen van Latijnse poëzie, inclusief enkele grappen. Het leeuwendeel bestaat uit gelegenheidswerk; lyrische gedichten zijn schaars. Het metrum is niet altijd even soepel, maar in de epische gedichten treft men, temidden van de verplichte mythologische referenties, soms levendige beschrijvingen aan. In de hexameter ‘sanguine spumantem circum rubuisse securim’, bijvoorbeeld, klinkt duidelijk het donderende beuken van de bijl en het sissend schuimen van het bloed door.Het is een geslaagde emulatie van Vergilius’‘et Thybrim multo spumantem sanguine cerno’ (Aeneis,VI.86). In andere gevallen steunt Keuchenius volledig op Vergilius: waar hij de zinsnede ‘parcere subiectis et debellare superbos’ gebruikt, citeert hij Vergilius eerder dan dat hij deze imiteert of emuleert. Hij lijkt er dikwijls op uit te zijn te spelen met zijn Vergiliaanse voorbeeld, bijvoorbeeld in een epigram dat als titel draagt In expeditionem Guijanensem: ‘Arma virumque cano, Batavum qui primus ab oris / Americam fato profugus, Guijanaque venit / Littora; multum ille et terris iactatus et alto / vi superum; saevae memorem Iunonis ob iram?’ Veel gedichten zijn opgedragen aan collega-dichters, onder wie Anna Maria van Schurman en Constantijn Huygens, maar ook aan lokale regenten in Gelre (zoals Everhard van Sluisken) en aan diegenen wier patronage hij zocht, bijvoorbeeld aan Petrus Heimbach, raad van Frederik Willem, Keurvorst van Brandenburg (hij noemde deze Heimbach, wiens naam eveneens opduikt in de voorwoorden van zijn edities, zijn ‘gastheer’). De elegieën zijn gemodelleerd op Catullus.

In 1666 hield Keuchenius een, verloren gegane, lijkrede op Schaep. Een jaar later droeg hij een vorstenspiegel (een verhandeling over de Romeinse keizer Antoninus Pius) op aan de Amsterdamse burgemeester Gillis Valckenier. Constantijn Huygens en Jacob Westerbaen leverden beiden elk een drempeldicht voor Keuchenius’ editie van Frontinus, hoewel zij geen van beiden onder de indruk waren van Keuchenius’werk.Toch leverde Westerbaen,net als Joan Blasius en Jacob Heiblocq,ook een drempeldicht voor de Musae iuveniles. Deze verzameling zou de aandacht van literatuurhistorici verdienen, niet zozeer vanwege de literaire kwaliteit, maar als een ‘omgekeerd’ album amicorum: de collectie laat zien hoe poëzie fungeerde als een middel om relaties te onderhouden. Studie van deze bundel zou bovendien kunnen bijdragen aan de reconstructie van de biografie van deze rusteloze en matige dichter,en aan de bestudering van minder bekende banden van literaire vriendschap in de meer perifere provincies van de Nederlandse Republiek. Keuchenius’ historiografische geschriften, die bewaard worden in de openbare bibliotheek van Arnhem, zouden licht kunnen werpen op de beoefening van provinciale Latijnse geschiedschrijving in de Gouden Eeuw.

III.Werken

Poëzie:

» Venus Gelrica, 1655. » Anglia Triumphans, 1660.

» Musae iuveniles, 1662. » Gallia, 1670. » Manhemium Palatina, 1761 (aangeboden op 22 december 1669).

Edities met annotaties:

» Nepos, 1658, 1667. » Frontinus 1661, 1667. » Serenus Samonicus, 1662, 1706.

Verhandelingen:

» Dissertatio iuridica inauguralis, de usucapionibus.Ad diem 28 Aug., Leiden, 1658. » Panegyris gratulatoria, ad nobilissimum et amplissimum virum D. Ianum Klenckium, 1660. » Oratio de fato eloquentiae Romanae, 1661, 1663. » Heilige gedachten over het allerheiligste avond-maal onses Heeren, 1665 (metrische vertaling in de volkstaal,

door Joan Blasius en Franco Snellinx, van een Latijsen tekst bij Keuchenius; dit werk zou echter

vervaardigd kunnen zijn door Keuchenius’ naamgenoot, die immers theoloog was).

» Oratio de profligata Britannorum classe, 1666.

» Antoninus Pius; Comparatio cardinalium Richelii et Mazarini, 1667.

Ongepubliceerd werk:

» Gelria illustrata sive Rerum in Gelria memorabilium … descriptio poetico-historica,ca.1672 (Arnhem, Openbare Bibliotheek, hs. 294).

» Arenacum, sive Rerum in civitate Arnhemo memorabilium … liber singularis, 1673 (Arnhem, OB, hs. 43).

IV. Literatuur

» Van der Aa, BW 9, [1860], pp. 150-152.

» H. Chr. van Bemmel, Catalogus van de handschriften aanwezig in de Bibliotheek Arnhem, 1999, pp. 83-84, 198-99.

» H. Brugmans et al., Gedenkboek van het Athenaeum en de Universiteit van Amsterdam 1632-1932, 1932.

pp. 307, 614.

» A. H. Huussen, jr, Onderwijs en Onderzoek, 2003, pp. 51, 285.

» D. van Miert, Illuster Onderwijs, 2005, pp. 69-71, 159-160.

» J.A.Worp, ed., Briefwisseling van Constantijn Huygens, vol. 5, 1916. pp. 343, 346-48.

[Dirk van Miert]

Citeerinstructie:

Dirk van Miert ‘Robertus Keuchenius (Cuchenius)’ in: Jan Bloemendal en Chris Heesakkers, eds., Bio­bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www.dwc.huygensinstituut.nl