Grotius, Hugo (1583-1645)

I. Biografie 

Hugo Grotius (Huigh de Groot) (Delft *10.4.1583-Rostock †28.8.1645) stamde uit een Delftse patriciërsfamilie; hij was de oudste zoon van de Delftse burgemeester Jan de Groot en zijn oom Cornelis de Groot was een der eerste hoogleraren aan de Leidse academie.Tot de vriendenkring van Jan de Groot behoorden o.a. Justus Lipsius en Simon Stevin. De jonge Hugo gold als wonderkind; als achtjarige schreef hij zijn eerste Latijnse gedichten en als elfjarige werd hij door Janus Dousa als tweede Erasmus welkom geheten aan de Leidse universiteit. Over zijn opleiding aldaar bestaat nogal wat onduidelijkheid; zo blijkt bijvoorbeeld nergens of en, zo ja, bij wie hij colleges in de rechten gevolgd heeft. Uit twee door hem in 1597 verdedigde disputaties blijkt wel dat hij het onderwijs in de wijsbegeerte gevolgd heeft. In 1598 vergezelde Grotius de raadpensionaris Oldenbarnevelt op een diplomatieke missie naar Frankrijk.Tijdens deze reis promoveerde hij te Orléans tot doctor in de rechtsgeleerdheid. 

Terug in Holland vestigde Grotius zich als advocaat bij het Hof van Holland te ’s-Gravenhage. Uit deze periode (1599–1607), waarin ook zijn benoeming tot geschiedschrijver der Staten van Holland valt als opvolger van Janus Dousa (1605), dateren de vroegste van hem bekende rechtsgeleerde adviezen. Op den duur kon de advocatuur Grotius niet meer boeien en in 1607 stapte hij over naar de staande magistratuur. Het volgende jaar trad hij in het huwelijk met de Zeeuwse Maria van Reigersberch. Het werk als advocaat-fiscaal bij het Hof van Holland was om weer een andere reden onbevredigend: het liet weinig tijd over voor andere werkzaamheden en de verhoren van verdachten op de pijnbank waren voor de fijnbesnaarde Grotius moeilijk om bij te wonen. In plaats van een verwachte overstap naar de zittende magistratuur was het de politiek die hem trok:in 1613 werd hij pensionaris van de stad Rotterdam.Als rechterhand van Oldenbarnevelt was hij in aanzienlijke mate mede verantwoordelijk en leverde hij de theoretische rechtvaardiging voor diens omstreden kerkpolitiek. Grotius moest deze niet alleen in het binnenland maar ook in 1613 bij de Engelse koning Jacobus verdedigen,een missie waarin hij niet slaagde. Zijn associatie met de raadpensionaris was dusdanig nauw dat diens val in augustus 1618 ook het einde van Grotius’ politieke carrière betekende. Hij werd gevangengenomen en in mei 1619 tot levenslange gevangenisstraf op slot Loevestein veroordeeld. 

De door Maria van Reigersberch beraamde ontsnapping in de boekenkist, het enige feit uit Grotius’ biografie waardoor hij in het nationaal geheugen voortleeft,vond op 22 maart 1621 plaats.Via Antwerpen bereikte hij Parijs,waar hij met in de loop der jaren groeiend ongeduld zijn rehabilitatie en de mogelijkheid van terugkeer naar de Nederlanden afwachtte. Toen ook het overlijden van zijn tegenstander prins Maurits (1625) en diens opvolging door Frederik Hendrik niet het door Grotius verwachte eerherstel opleverde, nam Grotius in 1631 het ondoordachte besluit om eigener beweging naar Holland terug te keren. In Rotterdam gedroeg Grotius zich demonstratief als de ten onrechte veroordeelde, die overal in het openbaar verscheen.De Staten waren van dit eigengereide optreden allerminst gediend en zetten zelfs een prijs op zijn hoofd. Grotius moest opnieuw uit het vaderland vluchten, ditmaal naar Hamburg, waar hij twee jaren in een diepe crisis doorbracht. 

Contacten met de Zweedse rijkskanselier Oxenstierna leidden tot een benoeming tot Zweeds ambassadeur in Parijs (1634). Grotius heeft dit aanvankelijk als zeer eervol ervaren ambt ruim tien jaren bekleed,met gedurig afnemende bevrediging.In 1645 werd hij naar Zweden teruggeroepen (opnieuw en ditmaal voor het laatst deed hij Holland aan); op de terugreis bereikte hij, na een zeereis vol ontberingen, aan uitputting ten prooi Rostock, waar hij kort na aankomst overleed. Zijn lichaam werd in de Nieuwe Kerk te Delft bijgezet; de ingewanden bleven te Rostock achter. 

II. Geschriften 

Grotius’oeuvre is buitengewoon veelzijdig en omvangrijk;de bibliografie van Ter Meulen en Diermanse deelt zijn literaire produktie in 9 categorieën in: poëzie; filosofie en natuurwetenschappen; klassieke filologie; internationaal recht, diplomatie, internationale politiek; geschiedenis; rechtsgeleerdheid (m.u.v. internationaal recht); godsdienstpolitieke geschriften; theologie; brieven. 

Grotius debuteerde in 1595 als Latijns (en Grieks!) dichter en is zijn hele leven lang gedichten blijven schrijven.Het overgrote deel van zijn poëtische produktie uit de Hollandse jaren (van de latere poëzie ging veel verloren) moet als ‘gelegenheidspoëzie’ bestempeld worden (gedichten op geboorten, huwelijken, sterfgevallen; inleidende gedichten bij publikaties van anderen; poëzie bij gravures, e.d.); daarnaast schreef Grotius drie Latijnse bijbelse tragedies in Senecaanse stijl: Adamus exul (1601), Christus patiens (1608) en Sophompaneas (1635, over Jozef in Egypte). De Nederlandstalige poëzie (vrijwel geheel in gevangenschap op Loevestein tot stand gekomen) is van een geheel ander karakter. Zij bestaat eensdeels uit het lange leerdicht Bewijs van den waren godsdienst in 6 boeken, dat later tot het prozageschrift De veritate religionis christianae zou worden omgewerkt, en daarnaast uit een verzameling kortere religieuze gedichten.Van erotische poëzie in het Nederlands bleef slechts een enkel specimen bewaard. 

De vroege kritische edities van Latijnse en Griekse auteurs zijn het resultaat van Grotius’ contacten met de grote filoloog Joseph Scaliger, hoogleraar te Leiden (Martianus Capella, 1599; Aratea, 1600). In 1614, op het hoogtepunt van de godsdiensttwisten, verscheen de uitgave van Lucanus’ epos over de Romeinse burgeroorlog, Pharsalia. Uit de tijd na 1621 zijn de uitgaven van de poëtische fragmenten uit Stobaeus (1623), een verzameling fragmenten uit Griekse drama’s (1626) en een uitgave van Euripides’ Phoenissae, alle met Latijnse vertaling. De grote uitgave van de Anthologia Graeca met Latijnse vertaling verscheen eerst postuum in 1795–1822. 

Als Grotius’ hoofdwerk dient zeker De iure belli ac pacis libri III uit 1625 te worden beschouwd. Dat men hem op grond van dit werk ten onrechte als vader van het volkenrecht heeft beschouwd, kan aan de historische betekenis van dit werk, dat inderdaad veeleer de kroon op het werk van de Spaanse natuurrechtschool is dan dat het nieuw terrein betreedt, niet afdoen. Het werk was voorbereid door een nog in Holland in opdracht van de Verenigde Oostindische Compagnie geschreven traktaat,De iure praedae commentarius (voltooid 1605), dat op één hoofdstuk na (Mare liberum, 1609) eerst in 1868 het licht zag. 

Van het historische oeuvre dient naast het hoofdwerk, de postuum uitgegeven, in Taciteïsche stijl geschreven geschiedenis van de Opstand tot het begin van het bestand (1609), Annales et historiae de rebus Belgicis (voltooid 1612), vooral het sterk nationalistisch getinte Liber de antiquitate reipublicae Batavicae (1610), een ‘wetenschappelijke’ onderbouwing van de zgn. Bataafse mythe, te worden genoemd. 

In gevangenschap op Loevestein voorzag Grotius in een duidelijk desideratum op het gebied van het inheemse burgerlijk recht, waarvan toen geen leerboek bestond. De Inleidinge tot de Hollandsche rechts­geleerdheid munt uit door heldere systematiek en fraaie taal, die aantoont dat Grotius niet alleen in het Latijn maar evenzeer in zijn moedertaal een groot stilist was.Tot de codificatie van het burgerlijk recht is het werk hier te lande actueel gebleven; in Zuid-Afrika is het dat nog steeds. 

Van de werken op het gebied van de godsdienstpolitiek vallen te noemen het pamflet Ordinum Hollandiae ac Westfrisiae pietas (1613), een verdediging van het optreden van de Staten van Holland in het conflict tussen Remonstranten en Contraremonstranten,vooral geschreven met het oog op de buitenlandse bondgenoten, in het bijzonder Jacobus I van Engeland. Het werk ontketende een ongekend tumult, en Grotius zag zich genoodzaakt zich nog herhaalde malen in de polemiek te mengen. Pas na Grotius’ dood, in 1647,verscheen zijn meesterwerk op het gebied van Kerk en Staat, De imperio summarum potestatum circa sacra, reeds voor zijn gevangenneming voltooid maar door diverse omstandigheden toen niet verschenen. Uit deze categorie geschriften valt tenslotte nog de principiële Verantwoordingh van de wettelijcke regieringh van Hollandt ende West-Vrieslandt van 1622 te noemen, die ook in een eigen Latijnse vertaling verscheen (Apologeticus eorum qui Hollandiae Westfrisiaeque … ex legibus praefuerunt). 

Bij deze werken sluit het theologische oeuvre nauw aan. Het bestaat in hoofdzaak uit een uitvoerige commentaar op het Nieuwe (en, veel beknopter, op het Oude) Testament, bedoeld om een uitleg van de Schrift te geven die als basis kan dienen voor een hereniging van alle christelijke kerken. Hetzelfde ideaal wordt gediend door een aantal vooral polemische geschriften uit de jaren 1638–1645.Apart staat een werk op het grensvlak tussen theologie en rechtsgeleerdheid over de verzoeningsdood van Christus, Defensio fidei catholicae de satisfactione Chtisti adversus Faustum Socinum Senensem uit 1617, mede bedoeld om aan te tonen dat de Remonstranten en Grotius zelf, anders dan hun tegenstanders beweerden, geen ketters (Socinianen) waren.Tenslotte moet Grotius’frequentst uitgegeven en vertaalde geschrift,De veritate religionis christianae uit 1627 (uitgebreide versie 1640), hier nogmaals genoemd worden. 

Grotius’briefwisseling (ca.7500 brieven van en aan hem bleven bewaard) behoort tot de belangrijkste geleerdencorrespondenties van de 17e eeuw. Naast typische humanistenbrieven vindt men ook een grote hoeveelheid persoonlijke post en, uit de periode van het ambassadeurschap, nieuwsbrieven. Voor de ontstaansgeschiedenis van Grotius’ werken vormen de brieven een belangrijke bron. 

III.Werken 

Primaire bibliografie 

J. ter Meulen, P.J.J. Diermanse, Bibliographie des écrits imprimés de Hugo Grotius, La Haye 1950 (repr. Zutphen 1995); aanvullingen in het tijdschrift Grotiana, New Series,Assen 1980–… A. Krikke, Ruit hora, Bibliografie van de bibliotheca Grotiana uit de verzameling van K.P. Jongbloed, ’s-Gravenhage [1997] (register, ald. [2000]) (hierover zeer kritisch R. Feenstra, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 66 (1998), p. 431–435). Handschriftelijke nalatenschap:W.J.M.van Eysinga,L.J.Noordhoff, Catalogue de manuscrits autographes de Hugo Grotius, dont la vente a eu lieu à La Haye le 15 Novembre 1864…, 2e édition avec annotations, La Haye 1952; L.J. Noordhoff, Beschrijving van het zich in Nederland bevindende en nog onbeschreven gedeelte der papieren afkomstig van Huig de Groot welke in 1864 te ’s-Gravenhage zijn geveild, Groningen 1953. Recente edities en vertalingen:poëzie:B.L.Meulenbroek,A.C.G.M.Eyffinger,E.Rabbie (eds.), De dichtwerken van Hugo Grotius,Assen 1970–1992 (7 dln. in 10 banden, incompleet: bevat de volledige oorspronkelijke Latijnse en Griekse poëzie tot en met 1608,met uitzondering van de gravurepoëzie,alsmede het drama Sophompaneas van 1635). A. Eyffinger, Inventory of the Poetry of Hugo Grotius, Assen 1982. Een recente uitgave van de Nederlandstalige gedichten ontbreekt. Internationaal recht: P. Borschberg (ed.), Commentarius in Theses XI, An Early Treatise on Sovereignty, the Just War, and the Legitimacy of the Dutch Republic, Berne 1994 (zie Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 64 (1996), p. 240–246). De iure belli ac pacis libri tres ed. B.J.A. de Kanter­van Hettinga Tromp,herdruk met ‘annotationes novae’door R.Feenstra en C.E.Persenaire,Aalen 1993. De recente Nederlandse vertaling van J.F. Lindemans, Het recht van oorlog en vrede, dl. I, Baarn 1993 (voortzetting aangekondigd), deugt helaas niet (zie R. Feenstra, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 63 (1995), 


p. 143–161; Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis 75 (1995), p. 137–140). Nieuwe Engelse vertaling door 

M. van Gelderen in voorbereiding. Geschiedschrijving: J.Waszink et al. (eds.), The Antiquity of the Batavian Republic, Assen 2000 (Bibliotheca latinitatis novae) (gewijzigde vert. van: Liber de antiquitate Reipublicae Batavicae, Arnhem 1995). Een kritische editie met vertaling van de Annales et Historiae is een desideratum. Rechtsgeleerdheid: F. Dovring, H.F.W.D. Fischer, E.M. Meijers (eds.), Inleidinge tot de Hollandsche rechts­geleerdheid,Leiden 19652.Godsdienstpolitiek:E.Rabbie (ed.),Ordinum Hollandiae ac Westfrisiae pietas (1613), Leiden 1995; H.-J. van Dam (ed.), De imperio summarum potestatum circa sacra, te verschijnen.Theologie: De Opera omnia theologica, Amsterdam 1679, zijn als facsimile-uitgave verschenen, Stuttgart 1972.Voorts: 


Posthumus Meyjes (ed.), Meletius sive de iis quae inter christianos conveniunt epistola, Leiden 1988; 

Rabbie (ed.), Defensio fidei catholicae de satisfactione Christi adversus Faustum Socinum Senensem, Assen 1990 (Opera Theologica, I). Van Grotius’ meest gedrukte werk, De veritate religionis christianae, bestaat geen kritische editie. Brieven: P.C. Molhuysen, B.L. Meulenbroek, P.P. Witkam, H.J.M. Nellen, C.M. Ridderikhoff (eds.), Briefwisseling van Hugo Grotius, 17 delen, ’s-Gravenhage 1928–2001. 


IV. Literatuur 

Secundaire bibliografie 

Grotius-tentoonstelling te ’s-Gravenhage, Catalogus, 13–28 juni 1925, Leiden 1925, nrs. 923 e.v.; voortgezet in het tijdschrift Grotiana, ’s-Gravenhage 1928–1947 en New Series, Assen 1980–…; J. ter Meulen, P.J.J. Diermanse, Bibliographie des écrits sur Hugo Grotius imprimés au XVIIe siècle, La Haye 1961. Uitputtende (primaire en) secundaire bibliografie betreffende het theologische oeuvre over de periode ±1840–1993 door H.J.M. Nellen en E. Rabbie, in: dez. (red.), Hugo Grotius Theologian, Essays in honour of G.H.M. Posthumus Meyjes, Leiden 1994, p. 219–245. Biografieën: C. Brandt, A. van Cattenburgh, Historie van het leven des heeren Huig de Groot,2 dln., Dordrecht 1727 (nog steeds onmisbaar);W.J.M. van Eysinga, Huigh de Groot, een schets, Haarlem 1945; H.J.M. Nellen, Hugo de Groot, de loopbaan van een geleerd staatsman, Weesp 1985 (H.J.M. Nellen is thans belast met het schrijven van een uitvoerige biografie). Congresbundels: 

The World of Hugo Grotius (1583–1645), Proceedings of the International Colloquium organized by the Grotius Committee of the Royal Dutch Academy of Arts and Sciences, Rotterdam 6–9 April 1983, Amsterdam 1984; Hugo Grotius Theologian (zie hierboven); H.J.M. Nellen, J. Trapman (red.), De Hollandse jaren van Hugo de Groot (1583–1621), Lezingen van het colloquium ter gelegenheid van de 350-ste sterfdag van Hugo de Groot (’s-Gravenhage, 31 augustus–1 september 1995), Hilversum 1996. J. Dunn, I. Harris (red.), Grotius, 2 dln., Cheltenham 1997 (Great Political Thinkers, 7) (verzameling herdrukte opstellen). 

[Edwin Rabbie] 

Citeerinstructie: 

Edwin Rabbie, ‘Hugo Grotius’ in: Jan Bloemendal en Chris Heesakkers, eds., Bio-bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www.dwc. huygensinstituut.nl