Call for papers: Symposium De geleerden(auto)biografie als bron in de wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis (Utrecht, 7 december 2012; deadline 1 augustus)

Een goede geleerdenbiografie kan een belangrijke bron zijn voor de wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis, maar wat is goed? Het Belgisch-Nederlands genootschap voor wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis Gewina, het Huizinga Instituut en het Descartes Centre for the History and Philosophy of the Sciences and the Humanities (Universiteit Utrecht) organiseren op vrijdag 7 december 2012 in Utrecht het symposium ‘De geleerden(auto)biografie als bron in de wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis’.
Het is al vaker geconstateerd: de biografie beleeft een bloei in Nederland en België. Politici en staatslieden, ondernemers, schrijvers, dichters, schilders, componisten, popartiesten, verzetsstrijders, kunstverzamelaars, sportlieden, koningen, prinsen en prinsessen, journalisten en critici, leden uit één familie, ze zijn allemaal al door biografen van uiteenlopende slag en kwaliteit tot onderwerp genomen. Dit heeft geleid tot zeer verschillende boeken: van snel geschreven weinig diepgravende werken waarvoor niet te veel onderzoek is gedaan tot uiterst gedetailleerde levenswerken in soms meer dan een deel waarvoor de biograaf elk beschikbaar document, elk krantenknipsel en elk snippertje heeft gezien en gebruikt. In het beste geval geven zij op sommige punten een beter of zelfs een heel nieuw inzicht in het gebied waarop de gebiografeerde actief was. In sommige gevallen werpen zij licht op de groep, sociale laag, partij of beroepsgroep waartoe de hoofdpersoon behoorde. Dit geldt nog meer voor de autobiografie. De autobiograaf heeft immers vaak de bedoeling zijn of haar rol in het bijzonder voor het voetlicht te brengen. Biografieën en autobiografieën kunnen zo een correctie geven op de geschiedschrijving in een bepaald specialisme en soms zelfs van de geschiedenis van een groep of natie.
Met de geleerden(auto)biografie is het weinig anders. De vlugge, journalistieke benadering komt er minder in voor, maar dit betekent niet dat elke (auto)biografie van een denker of onderzoeker heel diepgravend is. Ook in deze groep wordt de polemiek niet geschuwd, evenmin als de zelfrechtvaardiging of de ‘vie romancée’. De goede geleerdenbiografie kan een belangrijke bron zijn voor de wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis. Hier wordt inzicht gegeven in de ontwikkelingen in een bepaald vakgebied, de verhoudingen en het werk in kliniek of laboratorium, de verhoudingen in een faculteit, het werk dat achter de schermen werd verricht, de ruzies rond een benoeming of in de contacten die op congressen werden gelegd. Dikwijls dragen dergelijke boeken ook bij tot inzicht in het studentenleven van de hoofdpersoon en in het onderwijs dat hij of zij genoot. Op dit punt stelt menige op zichzelf goede biografie helaas teleur. Soms bevat een biografie van een politicus of wie dan ook interessante passages over diens leermeesters en hun onderwijs, maar al te vaak heeft de biograaf zich onvoldoende verdiept in de toenmalige universiteit en bevat zo’n boek tal van slordigheden.
De geleerdenbiografie laat ook in andere opzichten nogal eens te wensen over. Naast schitterende voorbeelden van een gedegen behandeling van het wetenschappelijke werk van de hoofdpersoon komt het voor dat de biograaf te weinig begrijpt van diens vakgebied en hierdoor te veel aan de oppervlakte blijft. Wat betekent dit voor de wetenschapsgeschiedenis? Betekent dit dat de biografie van een natuurkundige of een bioloog moet worden geschreven door een natuurkundige of een bioloog of kan dit ook of misschien zelfs beter door een in de wetenschapsgeschiedenis geïnteresseerde historicus worden gedaan?
Voorts wordt soms te weinig aandacht besteed aan de inhoud, vorm en kwaliteit van diens onderwijs. En hoe vaak komt het voor dat in zo’n biografie zicht wordt gegeven op de vele informele contacten die er bestonden en bestaan? In de genootschappen, de verenigingen en clubs, de diners en borrels? Hoe ging het op congressen toe? Hoe zat het met schoolvorming? Trokken promotores hun leerlingen voor bij benoemingen? Welke contacten hadden studenten en hoogleraren en hun medewerkers met bedrijven en maatschappelijke organisaties? Wie profiteerden hiervan het meest?
Belangstellenden worden uitgenodigd vóór 1 augustus 2012 een voorstel van maximaal 500 woorden in te dienen. De spreektijd zal ongeveer een half uur zijn. De bijdragen zullen worden gebundeld tot een boek.
Geïnteresseerden kunnen zich wenden tot prof. dr. L.J. Dorsman (Universiteit Utrecht), e-mail: l.j.dorsman@uu.nl, tel.: 030-253 6464/605 4904, of tot dr. P.J. Knegtmans (Universiteit van Amsterdam), e-mail: p.j.knegtmans@uva.nl, tel.: 020-525 3342/441 0141.

