De VU schrijft geschiedenis. De toekomst van het VU-verleden

Onlangs benoemde de Vrije Universiteit Ab Flipse tot universiteitshistoricus. Op 20 juni presenteerde hij zijn plannen op de ‘middag van de VU-historie’. Ook spraken op deze middag de huidige en een vroegere rector magnificus van de VU, werden presentaties gegeven over VU-erfgoed en het VU-archief en werden enkele klassieke VU-films vertoond. De VU-films zijn ook online te bekijken. Ab Flipse vat zijn lezing hier kort samen.

Ab Flipse (links) in gesprek met ex-rector Pieter Drenth.

Nadat ik in mei werd benoemd tot universiteitshistoricus, was het aanmaken van het twitteraccount @VUhistoricus een van de eerste dingen die ik deed. In mijn functieomschrijving staat onder meer dat ik de geschiedenis van de VU levend moet houden en toegankelijk moet maken voor een breed publiek – en hoe kan dat beter dan via social media? Al snel kwam er een reactie van @JongeHistorici: ‘Heeft @VUAmsterdam zichzelf al geschiedenis verklaard?! Of is de @VUhistoricus er juist om aan te zetten “herbronning”?’ Terechte vragen, lijkt mij. Wat gaat de VU-historicus eigenlijk doen en wat is de relevantie daarvan?

In mijn onderzoek zal ik aansluiting zoeken bij de ‘nieuwe universiteitsgeschiedenis’, zoals die de afgelopen decennia vorm heeft gekregen. Daarin worden universiteiten niet beschouwd als autonome instituties, maar als instellingen die bestaan in wisselwerking met de maatschappij. Universiteitsgeschiedenis is op dit moment een bruisende historische subdiscipline. Niet alleen publiceren universiteitshistorici over de geschiedenis van de eigen instelling, maar ze werken ook nauw samen, wat onder meer heeft geresulteerd in de reeks Universiteit & Samenleving (2006-heden) onder redactie van de universiteitshistorici Leen Dorsman en Péjé Knegtmans. Naast het doen van onderzoek heb ik als taak erfgoed en archief beter toegankelijk te maken. Tegelijkertijd hoop ik dat mijn onderzoek naar de VU-geschiedenis ook relevant zal blijken in de huidige discussie over het karakter en toekomst van de universiteit.

133 Jaren

De VU is weliswaar niet zo oud als de ‘klassieke’ universiteiten van Leiden, Groningen, Utrecht en de Universiteit van Amsterdam, maar met haar 133 jaren heeft zij toch een respectabele leeftijd en een heel eigen traditie. Alle universiteiten maakten in de afgelopen anderhalve eeuw grote veranderingen door, maar de VU verloor in de jaren zeventig ook nog haar gereformeerde karakter – in feite haar bestaansreden – terwijl ze tegelijkertijd een nieuwe identiteit trachtte te formuleren. In mijn onderzoek wil ik vooral aandacht geven aan de naoorlogse geschiedenis van de VU, waarbij ik de eerste periode natuurlijk niet helemaal negeer: de stichting en gestage groei, de strijd om erkenning en financiële gelijkstelling, de discussies over geloof en wetenschap binnen de neocalvinistische kaders die Abraham Kuyper had geformuleerd en de band met het gereformeerde volksdeel. Dit is allemaal interessant, maar er is al relatief veel over geschreven. Zelf publiceerde ik in 2005 bijvoorbeeld een geschiedenis van de faculteit natuurkunde en sterrenkunde met vooral aandacht voor deze thematiek.

De VU-geschiedenis vanaf de jaren zestig wordt in de bestaande literatuur vooral in grote lijnen geschetst. Daarbij ligt de nadruk op de religieuze veranderingen: het verdwijnen van de gereformeerde identiteit en het verzet daartegen van sommigen. Dit is ook de rode draad in het gedenkboek van A.Th. van Deursen, Een hoeksteen in het verzuild bestel, uit 2005. De samenhang met de bredere maatschappelijke ontwikkelingen komt minder uit de verf. Juist in deze periode voltrokken zich echter de grootste veranderingen in het Nederlandse hoger onderwijs. De universiteit transformeerde van een elite- in een massa-instelling; de positie van de hoogleraren veranderde; de radicale studentenbeweging kwam op en verdween weer; na een snelle groei van het budget volgde bezuiniging op bezuiniging; en het wetenschapsbeleid werd steeds directiever. De VU onderscheidde zich vanaf de jaren zeventig steeds minder van andere universiteiten, die overigens allemaal steeds meer op elkaar gingen lijken. Toch zocht de VU haar bestaansrecht nog steeds in haar bijzondere identiteit – bijvoorbeeld door zich te profileren op het gebied van ontwikkelingshulp – maar hoeveel ruimte was daar nog voor?

Buitenuniversitair

De VU-geschiedschrijving kan beter worden geïntegreerd in de bredere universiteitsgeschiedenis door expliciet te kijken naar de contacten die de VU onderhield met andere universiteiten. Hoe verliep bijvoorbeeld de samenwerking in allerlei buitenuniversitaire onderzoeksinstituten die kort na de Tweede Wereldoorlog werden opgericht? Hoe functioneerde de VU in de Amsterdamse context; en hoe was de relatie met de Gemeentelijke universiteit? Welke verschillen en overeenkomsten zijn er met de katholieke universiteit Nijmegen?

Door dergelijke vragen te stellen, hoop ik meer inzicht te krijgen in de maatschappelijk en politieke krachten die de ontwikkelingen aan de Nederlandse universiteiten gedurende de twintigste eeuw stuurden. Tegelijkertijd zal juist het eigen karakter van de universiteiten hierdoor oplichten. Reageerden universiteiten allemaal op vergelijkbare wijze op de maatschappelijke veranderingen? Bleef er nog iets over van het oude idee van een academische gemeenschap in een tijd waarin de overheid aan de universiteiten steeds minder vrijheid liet, de specialisatie toenam, en universiteiten zich vooral willen onderscheiden door hun ‘excellentie’?

Binding

De VU is in deze ontwikkeling een prachtige casus, juist omdat VU-bestuurders en wetenschappers zich er – met de voortdurende discussies over grondslag en doelstelling en de vanouds sterke binding met de samenleving – van bewust waren dat niets vanzelfsprekend was. De VU heeft haar bestaansrecht altijd moeten legitimeren. Ook toen zij 100% overheidsfinanciering ontving en zij haar gereformeerde veren afschudde, zocht zij nadrukkelijk naar een nieuwe identiteit: een eigen plek in het universitaire landschap en een hechte verankering in de samenleving.

Het debat over het karakter en ‘de idee’ van de universiteit is vandaag de dag terug van weggeweest. Als reactie op het marktdenken dat het afgelopen decennium de universiteiten heeft overspoeld, wordt opnieuw gediscussieerd over de vraag wat een universiteit eigenlijk is, bij hoeveel vrijheid ze het beste functioneert en hoe ze bestuurd moet worden. Ik denk dat historisch inzicht in de dynamiek tussen maatschappelijke inbedding en academische onafhankelijkheid relevant is in dit actuele debat. Ik hoop door mijn onderzoek ook aan deze discussie een bijdrage te leveren.

Een foto-impressie van de ‘Middag van de VU-historie’ is online te bekijken. Illustratie bovenaan: Minister Jan Pronk in de VU-aula tijdens een debat over ontwikkelingssamenwerking, 1975. CC-BY Wikimedia Commons.