Cunaeus, Petrus (1586-1638)

I. Biografie 

Petrus Cunaeus (Pieter van der Cun,Vlissingen 1586 -Leiden 2.12.1638) was een zoon van de koopman Adriaan van der Cun. Hij bracht zijn jeugd door in Middelburg. Op twaalfjarige leeftijd kreeg hij huisonderricht in het Latijn van de arts en Neolatijnse dichter Hugo Favolius, en enige maanden later werd hij naar Haarlem gestuurd voor privé-onderricht van de predikant Johannes Matthisius, ter voorbereiding op een academische studie. 23.5.1601 liet hij zich inschrijven aan de Leidse Universiteit als letterenstudent, maar hij volgde er ook colleges theologie. Hij onderbrak zijn studies voor een reis naar Engeland in 1602. Op het gebied van de theologie hield hij twee disputaties, o.l.v. respectievelijk Arminius (oktober 1605) en Gomarus (maart 1606). 23.5.1606 liet hij zich inschrijven als theologiestudent aan de Universiteit van Franeker, waar hij onderwijs genoot van de rechtzinnige theoloog Sibrandus Lubbertus en van Johannes Drusius, de hoogleraar Hebreeuws, terwijl hij eveneens college liep bij de juristen Marcus Lycklema a Nyeholt en Timaeus Faber. 30.11.1607 werd hij wederom bij de Leidse Universiteit ingeschreven, ditmaal als theologiestudent. Als blijk van zijn filologische belangstelling publiceerde hij begin 1610 zijn opmerkingen bij de Dionysiaca van Nonnos. Een en ander had mogelijk tot gevolg dat hij 12.10.1610 toestemming kreeg van de Senaat om Latijnse dichters te interpreteren.8.2.1612 volgde de benoeming tot buitengewoon Hoogleraar Latijn met de verplichting om ook, indien nodig, Grieks te onderrichten, terwijl zijn ambitie voor een ordinariaat in vervulling ging op 6/7.8.1613.Mogelijk had die benoeming vertraging ondervonden door de ordeverstoringen van de studenten naar aanleiding van de in december 1612 van zijn hand verschenen felbekritiseerde Satyra Menippea. 8.2.1614 werd zijn leeropdracht voor letteren en geschiedenis uitgebreid met staatsrecht. Cunaeus, die inmiddels met een rechtenstudie begonnen was, waarvoor hij van de Curatoren verlof had gekregen enige maanden bij het Hof van Holland praktijkervaring op te doen, verkreeg 21.7.1615 in Leiden na de private verdediging van zijn Theses ad legem Iuliam de Maiestate uit handen van C. Swanenburg een doctoraat in de rechten (Ahsmann, Collegia p. 273). November 1615 werd hij aangesteld om naast het lectoraat in het staatsrecht uit de Digesten dan wel de Codex te lezen. Hij huwde 28.5.1616 Maria van Zeyst, dochter van Nicolaus van Zeyst, curator en pensionaris van Leiden, en kleindochter van J. van Banchem, president van de Hoge Raad en curator van de Leidse Universiteit. Om de studenten te scholen in de retoriek werd in 1620 een Collegium Oratorium opgericht; de leiding hiervan berustte bij Cunaeus. Hij fungeerde in 1623, 1624, 1632 en 1637 als rector magnificus van de Leidse Universiteit. Op voorspraak van de Curatoren van dezelfde universiteit kreeg hij van de Staten van Holland de opdracht een studie over het zeerecht te vervaardigen, tegen een honorarium van 750 guldens. Na een bezoek aan Zeeland, waar hij door de Staten tot historieschrijver was benoemd,overleed hij na een kort ziekbed in Leiden op 2.12.1638. 

Cunaeus heeft 8 zoons en 5 dochters gekregen. Zijn zoon Johannes verzorgde een uitgave van de oraties van zijn vader. 

II. Geschriften 

Los van de door hem in 1605 en 1606 verdedigde theologische disputaties vangt Cunaeus’ oeuvre aan met een jeugdwerk, een tragedie, Dido, in 1610 gevolgd door filologische aantekeningen op de Dionysiaca van Nonnos.Van oorspronkelijkheid gepaard aan grote fantasie getuigt zijn Satyra Menippea (1612).Dit hekelschrift,waarin Cunaeus de theologen van zijn tijd neerzette als pseudowetenschappers, maar waarin men ook de hoogleraren Baudius en Heinsius meende te herkennen, zette kwaad bloed onder de contraremonstranten,en leidde tot verstoring van zijn colleges door de studenten.Niettemin genoot het werk grote populariteit blijkens de vele heruitgaven en vertalingen tot aan het eind van de vorig eeuw. Zijn rechtenstudie rondde Cunaeus af met de verdediging van de (niet bewaard gebleven) Theses ad Legem Iuliam de Maiestate (1615). Tegelijkertijd werkte hij aan De Republica Hebraeorum libri tres, over het staatsbestel van de Joden t.t.v. het Oude Testament, waarin ook zijn eigen opvattingen over de verhouding van kerk en staat hun neerslag vonden (1617). De populariteit van het werk wordt bewezen door veertien uitgaven alsmede vertalingen in het Engels, Frans (twee edities), en het Nederlands (zes edities). Hoewel Cunaeus meermalen het voornemen heeft geuit het werk aan te vullen met een rechtsvergelijkend bronnenonderzoek, is het daar nooit van gekomen. Van het door hem aangekondigde commentaar op Flavius Josephus is niets teruggevonden. In de UB Leiden berusten onder hs. Cun. 4 een onuitgegeven tractaat De iuris et facti differentiis, dat tot onderwerp ‘de vruchten’ heeft, en een evenmin uitgegeven commentaar op Digesten en Codex in 62 of 63 delen, dat zijn oudste college-aantekeningen bevat (Cun.13). Ook UBL hs. Cun. 3, 11 en 12 bevatten commentaren op de Digesten. Behalve zijn inaugurele rede bij zijn intrede in de rechtenfaculteit (1616) en zijn openingscollege voor het collegium oratorium (1620) hield hij nog vele andere redevoeringen in het Leidse universitair milieu, waaronder één als aantredend en drie als scheidend Rector Magnificus,vijf lijkredenen op oud-collega’s (B.Vulcanius,1614;Ael.Vorstius,1624; 

E. Bronchorst, 1627; C. Swanenburch 1630; Fr. Burgersdijk, 1635). Zijn stijl werd zeer geprezen en herdrukken volgden tot in de 18e eeuw,bedoeld als bruikbaar studiemateriaal voor studenten die zich actief in het Latijn wilden bekwamen.Van Cunaeus is een uitgebreide correspondentie in handschrift bewaard gebleven (UBL hs. Cun. 1 en 2), waarvan het grootste deel door P. Burmannus is uitgegeven in 1725. 

In Meursius’ Athenae Batavae is een (auto)biografie van Cunaeus opgenomen. Mogelijk heeft Adolfus Vorstius hieraan de gegevens ontleend voor zijn lijkrede op Cunaeus. 

III.Werken 

Voor een volledige bibliografie zie:BGNR 1984,p.85-102;aanvullingen in:M.Ahsmann,R.Feenstra, 

C.J.H. Jansen, Bibliografie van hoogleraren in de rechten aan de Utrechtse Universiteit tot 1811, Amsterdam 1993, p. 36-37 

IV. Literatuur BHABP 1972, 1988; L. van Poelgeest, De Leidse hoogleraren en lectoren 1575-1815, dl. 3, de Rechtenfaculteit, Leiden 1984; BGNR 1984; M. Ahsmann, Collegia en colleges, (diss. Leiden) Groningen 1990;M.Ahsmann,R.Feenstra,C.J.H.Jansen,Bibliografie van hoogleraren in de rechten aan de Utrechtse Universiteit tot 1811,Amsterdam 1993;C.L.Heesakkers,De mortuis non nisi bene? The Leiden Neo-Latin Funeral Oration,in:A.Moss,Ph.Dust,P.G.Schmidt,J.Chomarat,F.Tateo, edd., Acta Conventus Neo-Latini Hafniensis, MRTS, Binghamton 1994, pp. 219-229; C.L. Heesakkers, 

An Lipsio licuit et Cuneao quod mihi non licet? Petrus Francius and Oratorical Delivery in the Amsterdam Athenaeum Illustre, in: G.Tournoy and D. Sacré, Ut granum sinapis. Essays on Neo-Latin Literature in Honour of Jozef IJsewijn, Leuven 1997, 324-351 

[W.G. Heesakkers-Kamerbeek] 

Citeerinstructie: 

W.G. Heesakkers-Kamerbeek, ‘Petrus Cunaeus’ in: Jan Bloemendal en Chris Heesakkers, eds., Bio­bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www.dwc.huygensinstituut.nl