Busbequius, Augerius Gislenius (1521-1591)

I. Biografie

Augerius Gislenius Busbequius ofwel Ogier de Bousbecque (Frans),Augerius de Busbecke / Augerius a Busbecke (Duits), Augerio da Busbecke (Italiaans) (Komen, 1520/1521-Cailly27/28.10.1591) werd geboren uit een onechtelijke relatie van George Ghiselin II, heer van Boesbeke (Bousbecque) en Catherine Hespiel, een meisje van onaanzienlijke afkomst. Opgevoed tezamen met de wettige kinderen van zijn vader bezocht hij de scholen van Wervik en Komen. In 1540 werd hij gewettigd door Karel V.Eerder,op 12 juli 1536,schreef hij zich in aan de universiteit van Leuven.Daar,of korte tijd later in Italië sloot hij vriendschap met Nicolaus Micault en Andreas Masius. In Italië studeerde hij zes jaar te Bologna,Venetië en Padua. Giovanni Baptista Egnazio en Lazzaro Buonamico worden genoemd als zijn leraren. Busbequius zou in 1547 te Padua zijn gelauwerd. Busbequius legde zich in deze jaren toe op de studie van de letteren, het recht en de medicijnen; deze brede belangstelling keert terug in zijn geschriften. Behalve zijn twee moedertalen, het Frans en het Vlaams, beheerste hij het Latijn,Italiaans,Duits,Spaans en mogelijk ook enig Kroatisch (‘Schiavon’,‘Illyrica lingua’).In 1552 of 1553 trad hij in dienst van koning Ferdinand I van Oostenrijk. In het gevolg van Ferdinands gezant Don Pedro Lasso woonde hij in de zomer van 1554 in Londen het huwelijk van Maria Tudor en Filips II bij. In november 1554 benoemde koning Ferdinand van Oostenrijk Busbequius tot zijn nieuwe gezant in Constantinopel als opvolger van de Italiaan Andrea Maria Malvezzi. Busbequius beschreef zijn gezantschap op literaire wijze in vier lange Latijnse brieven, de Legationis Turcicae episto­lae quatuor, die met de (gedeeltelijk) bewaard gebleven diplomatieke correspondentie de belangrijkste bron voor de geschiedenis van zijn gezantschap vormen.

Begin 1555 reisde Busbequius met twee andere gezanten,de Hongaarse bisschop Antal Verantius en Franciscus Zay vanuit Constantinopel naar het hof van sultan Suleyman in Amasya.Tijdens de reis gaven Busbequius en zijn reisgenoten blijk van grote belangstelling voor vreemde dieren en plan-ten, antieke resten, munten en inscripties. Beroemd is vooral de ontdekking van de inscriptie van de Res gestae van keizer Augustus te Ankara. De onderhandelingen in Amasya leverden slechts een korte wapenstilstand op. In januari 1556 werd de ambassade door de Turken van de buitenwereld afgeslo­ten.Verantius en Zay keerden in de zomer van 1557 terug naar Wenen, Busbequius bleef achter als enige gezant. Pas medio 1561 werd de impasse doorbroken door Ali Pasja, en in 1562 werd een vredesverdrag getekend.

Busbequius bleef ook nadien een trouw dienaar van het Habsburgse vorstenhuis in Oostenrijk;hij was hiertoe deels gedwongen door de schulden die hij in Constantinopel had opgelopen door zich borg te stellen voor gevangenen christenen. Hij bracht de periode van 1463 tot 1466 door in Spanje als tafelmeester van Rudolf en Ernst, zonen van Maximiliaan II; daarna was hij o.a. raadgever van keizer Maximiliaan II en opperhofmeester van diens vier jongste zonen in Wenen; ook viel de zorg van de keizerlijke bibliotheek onder zijn hoede, die in deze periode verrijkt werd met de bibliotheek van Hans Dernschwam. In 1574 verhuisde Busbequius naar Parijs (spoedig daarna naar La Celle St. Cloud) waar hij tot kort voor zijn dood de belangen van Elisabeth, koningin-weduwe van Frankrijk, behartigde. Zijn huis was het middelpunt van een groep jonge geleerden, veelal gestuurd door Justus Lipsius met wie Busbequius reeds in 1572 in Wenen vriendschap had gesloten. De burgeroorlog in Frankrijk dwong hem uiteindelijk zijn woonplaats te verlaten. Hij overleed op 27 of 28 oktober in Cailly (bij Rouen) tijdens een reis naar de heerlijkheid Boesbeke, die hij in eind 1587 had gekocht.

Busbequius droeg de wetenschap een goed hart toe. Hij hielp Andreas Schottus de tekst van het Monumentum Ancyranum (de genoemde Res gestae van Augustus) uit te geven. In Constantinopel verzamelde hij tenminste 264 Griekse handschriften die hij in 1583 aan de keizer verkocht. Behalve planten als de sering en de kalmoes stuurde hij ook de botanische onderzoekingen van zijn overleden arts en vriend Willem Quackelbeen naar Andrea Matthioli, die ze publiceerde. Melchior Lorck verbleef als tekenaaar enige jaren in dienst van de gezant te Constantinopel. Zelf geeft Busbequius in zijn vierde Turkse brief een verslag van zijn onderhoud met de Krimgoten.In Wenen en Parijs leefde hij in het gezelschap van geleerden. Onder hen waren veel Nederlanders: Hugo Blotius, Justus Lipsi­us,Stephanus Pighius,Carolus Clusius,Ludovicus Carrio,Andreas Schottus,Petrus Egmondus,Janus Gulielmius, Dominicus Baudius, Paullus Merula, Alexander Van den Bussche, Petrus Colvius. Een groot aantal boeken en gedichten zijn aan Busbequius opgedragen.

II. Geschriften

Ludovicus Carrio verzorgde in 1581 de uitgave van de eerste Turkse brief en de Exclamatio bij Christoffel Plantijn te Antwerpen. Uit zijn opdrachtbrief aan Nicolaus Micault blijkt dat de druk geschiedde zonder medeweten van de auteur. Ook oppert Carrio dat Busbequius de eerste Turkse brief geschreven zou hebben aan Micault tijdens zijn gezantschap; vergissingen van de auteur maken echter duidelijk dat de brief in zijn huidige vorm geschreven moet zijn in een veel latere periode, waarschijnlijk kort vóór de publicatie. Hetzelfde geldt vervolgens voor de drie overige brieven waaraan Busbequius moet hebben gewerkt na het succes van de eerste brief. De tweede verscheen eveneens bij Plantijn in 1582, de derde en vierde brief bij Gilles Beys te Parijs in 1589; kleine, vaak stilistische veranderingen in het reeds eerder verschenen werk tonen Busbequius’ voortdurende zorg voor het manuscript.

Busbequius’ vriendschap met Justus Lipsius is van grote invloed geweest. Na de publicatie van de eerste brief moedigde Lipsius Busbequius aan meer te schrijven. Lipsius prees zijn Latijnse stijl, maar omgekeerd Busbequius die van Lipsius, die hem tot voorbeeld gestrekt schijnt te hebben. Het is een stijl die uitblinkt door een directe, beknopte en puntige wijze van uitdrukken, en een streven naar levendigheid en afwisseling.Tenslotte wijzen ook enkele passages in met name de derde en vierde Turkse brief op beïnvloeding door het stoïcisme dat Lipsius in de (door Busbequius geprezen) De Constantia (1584) had aangeprezen.

Interessant is ook Busbequius’ tweede geschrift, de Exclamatio sive de re militari contra Turcam instituenda, een declamatio, waarin de Romeinse legervoering werd aanbevolen als enige middel om de Turken te bedwingen. De eerste versie uit 1576 was opgedragen aan Rudolf II me als titel Oratio de bello Turcis inferendo. De eerste druk uit 1581 en ook die van 1582 en 1589 bevatten tal van stilistische wijzigingen. De definitieve titel kreeg het werk pas in de editie van 1582.

De Turkse brieven verschenen in ca.40 edities in 8 talen;de Exclamatio was minstens zo populair in de periode waarin het Ottomaanse rijk Europa bedreigde. 37 brieven aan Maximiliaan II, geschreven tussen 22 augustus 1574 en 6 februari 1576, verschenen in 1632 (Brussel; vier herdrukken).Van de kleine 90 brieven aan Rudolf II,geschreven tussen 31 mei 1576 (= opdrachtbrief bij Exclamatio) en 27 augustus 1590 zijn er geleidelijk 58 verschenen in 1630 (Leuven) en 1632 (Brussel) (20 herdrukken). Slechts een klein deel van Busbequius’ diplomatieke brieven tijdens en na het Turkse gezantschap is uitgegeven.Verder is een aantal brieven uit Busbequius’ correspondentie met Adam von Dietrichstein bewaard (ten dele in het Italiaans) en enkele brieven uit zijn correspondentie met andere leden van het keizerlijk hof.Weinig omvangrijk in aantal maar inhoudelijk belangrijk is de (gedeeltelijke gepubliceerde) correspondentie met bevriende humanisten als Lipsius, Blotius, Clusius en Masius).

IV. Literatuur

» Z.R.W.M. von Martels, Augerius Gislenius Busbequius. Leven en werk van de keizerlijke gezant aan het hof van Süleyman de Grote. Een biografische, literaire en historische studie met editie van onuitgegeven teksten, Groningen 1989; overzicht van edities en vertalingen op pp. 516-48 en 560-84; aan­vullingen hierop in: Augerius Gislenius Busbequius / Ogier Ghiselin van Boesbeeck, Legationis Turcicae epistolae quatuor / Vier brieven over het gezantschap naar Turkije, Michel Goldsteen [vertaling] / Zweder von Martels [critische editie Latijnse tekst, inleiding en aantekeningen] (Hilversum, 1994), pp. 409-11.

[Z.R.W.M. von Martels]

Citeerinstructie:

Z.R.W.M. von Martels, ‘Augerius Gislenius Busbequius’ in: Jan Bloemendal en Chris Heesakkers, eds., Bio-bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www.dwc.huygensinstituut.nl