Blog: Een pleidooi voor de Wet (Frans van Lunteren)

Nostalgie is zelden een goede raadgever. Pleiten voor de terugkeer van langverdwenen tradities is dan ook een twijfelachtige activiteit, die in de regel krachtig ontraden moet worden. Ik wil me er hier toch een keer aan bezondigen. Ik zou namelijk graag zien dat we nieuwe natuurkundige wetten weer ‘wetten’ gaan noemen.

Ooit was dit een gangbare praktijk. De wortels ervan vinden we in de zeventiende eeuw in het werk van Descartes die in zijn nieuwe visie op de natuur een centrale plaats gaf aan het begrip ‘natuurwet’. Natuurwetten zorgden voor het ordelijke gedrag van materiedeeltjes en daarmee voor de harmonische en rationele aard van de natuur. Andere geleerden, waaronder Boyle en Newton, namen dit gebruik van Descartes over en al gauw kregen natuurwetten een niet weg te denken plaats binnen de natuurwetenschap. Het leverde ons onder andere de brekingswet, de bewegingswetten van Newton, de wet van Boyle, de wet van Coulomb en die van Ampère op, de wet van Boltzmann en tenslotte de stralingswet van Planck. Tussendoor kregen we ook nog enkele ‘hoofdwetten’, namelijk die van de thermodynamica. Vooral de negentiende eeuw grossierde in nieuwe fysische wetten.

Postulaat, principe en effect

In het begin van de twintigste eeuw zijn natuurkundigen hier abrupt mee gestopt. Niet omdat ze geen wetten meer ontdekten, want de afgelopen eeuw is rijk aan nieuwe fysische wetten. Maar we noemen ze niet langer zo. We spreken over het lichtpostulaat, Pauliprincipe, Zeemaneffect, Schrödingervergelijking, onzekerheidsrelatie, of wat al niet. Alles behalve ‘wet’. Er is na 1900 geen nieuwe ‘wet’ meer te vinden in de fysica.

De vraag is waarom dit gebeurde. Een mogelijke verklaring is gelegen in het gegeven dat de meest zeker lijkende wetten, namelijk de bewegingswetten en de zwaartekrachtswet van Newton, in het begin van de twintigste eeuw hun exacte geldigheid verloren. Zoals Einstein, Bohr, Heisenberg en Schrödinger aannemelijk maakten waren deze aloude wetten hooguit benaderingen van dieper liggende theorieën. Ze verloren hun geldigheid op zowel atomaire als kosmische schaal, alsmede bij zeer hoge snelheden. Anderzijds wist of vermoedde men van de wetten van Kepler en die van Boyle op het moment dat men ze als wetten ging aanduiden al, dat deze slechts bij benadering geldig waren.

God versus de specialist

Wellicht kleefde aan de term ‘wet’ nog te zeer de associatie met de oude natuurfilosofische traditie, waarin het bestaan van natuurwetten gekoppeld werd aan het idee van een Goddelijke wetgever. God regeerde zogezegd de natuur als een vorst zijn onderdanen, via opgelegde regels. Die regels garandeerden ordelijkheid in natuur en samenleving. In de tweede helft van de negentiende eeuw werd de natuurkunde het exclusieve domein van specialistische opgeleide professionals, die van de natuurkunde een modern vakgebied maakten, ontdaan van filosofische en religieuze smetten. Mogelijk was daarin geen plaats meer voor wetten.

Toch betwijfel ik of hierin een afdoende verklaring schuilt. We hebben in de wetenschap nog voortdurend de mond vol van wetten. Daarbij bedenken we ons zelden of nooit dat dit begrip eigenlijk een aan de menselijke samenleving ontleende metafoor is. Met metaforen is trouwens niks mis. De moderne wetenschap is gebouwd op metaforen, die later gepreciseerd werden en hun oudere betekenislagen goeddeels verloren. Denk aan begrippen als kracht, lading, arbeid en veld. Maar in het woordgebruik zelf blijft de band met de ontstaansgeschiedenis veelal behouden. Die combinatie van oud en nieuw, van traditie en innovatie, heeft ontegenzeggelijke charme.

Terug naar de wet

Vandaar dan ook mijn pleidooi voor de herintroductie van de term ‘wet’ voor nieuwe natuurkundige resultaten. Die term refereert bovendien aan ’waarheid’ en ‘werkelijkheid’, zaken waar het de fysica ooit in de eerste plaats om te doen was. Termen als ‘principe’ en ‘vergelijking’ hebben iets instrumentalistisch. Ze verwijzen naar dingen die nuttig zijn om mee te rekenen of om technische foefjes mee te realiseren, en in die zin veeleer middel dan doel. Er spreekt te weinig zelfbewustheid uit. Het zou de status van de natuurkunde geen kwaad doen om weer eens wat nieuwe wetten te presenteren.

Een suggestie, iemand?

 

Frans van Lunteren