De Académie Royale des Sciences

In 1666 kreeg Huygens alsnog gelijk met zijn keuze voor een carrière als natuuronderzoeker. De Franse koning Lodewijk XIV nodigde hem uit naar Parijs om de leiding op zich te nemen van de wetenschappelijke academie die de koning wilde oprichten. Dit was een eervolle taak die hem bovendien geen windeieren legde. De koning beloofde Huygens een jaarlijks honorarium van 6000 livres.

Huygens had zelf mee aan de wieg van deze academie gestaan. Samen met enkele vrienden in Parijs, als de sterrenkundigen Azout en Petit, was hij ontevreden over het peil van het wetenschappelijke onderzoek. Het onderzoek werd enerzijds gehinderd doordat te veel mensen aan wie de ware geest ontbrak wilden meedoen, en anderzijds door een gebrek aan geld en middelen. De wetenschap dreigde daardoor nogal eens te verzanden in oeverloze discussies. Vandaar drongen zij er bij de Franse koning op aan om hiervoor een professioneel lichaam in te stellen.

Academies of geleerde gezelschappen waren een bekend verschijnsel in die tijd. Het ging om gezelschappen, meestal op eigen gelegenheid bij elkaar komend, waar geleerdheid of schone kunsten werden bevorderd. Zij bestonden op allerlei gebieden en met allerlei doelstellingen: taalzuivering, poëzie, enzovoort. Voor de opkomende natuurwetenschap waren zij van vitaal belang. Juist omdat de natuurwetenschap nog geen duidelijke maatschappelijke plaats had, kon zij alleen vorm krijgen onder de bescherming van zulke groepen enthousiastelingen.

De Franse Académie Royale des Sciences was niet de eerste academie in Europa op natuurwetenschappelijk gebied. Omdat de Franse koning, die een academie goed vond passen in zijn plannen om zijn regering meer aanzien te geven, echter met zijn volle gewicht achter de plannen ging staan en ook de volledige financiering verzorgde, was het wel de eerste waar we werkelijk kunnen spreken van zoiets als een professionele wetenschap. Een nadeel had dat natuurlijk ook: de academie was sterk afhankelijk van de politieke wensen van de vorst.