Schrevelius, Theodorus (1572-1649)

I. Biografie

Dirck Schrevel (Haarlem 25.7.1572 – ca.2.12.1649) was een zoon van de kistenmaker of schrijnwerker Cornelis Janszoon Schrevel en Maria Dircksdochter. In zijn vaderstad doorliep hij de Grote Latijnse School waar hij een leerling was van Cornelius Schonaeus, bij wie hij ook enkele jaren in huis woonde. Op 28.1.1591 liet hij zich als student in de letteren in Leiden immatriculeren Na drie jaren theologie te hebben gestudeerd, verdedigde hij op 1.10.1594 zijn Theses theologicae de magistratu. Omdat hij een carrière in het onderwijs ambieerde, wijdde hij zich hierna nog uitsluitend aan de “litterae humaniores”. Op 1.11.1592 was hij namelijk officieel aan de Triviale School van Leiden als preceptor aangesteld en in 1593 was hij daarvan zelfs de tweede ondermeester geworden. Deze functie bleef hij bekleden tot 1.5.1597, toen hij conrector werd van de Grote Latijnse School van Haarlem. Op 25.7.1599 trad hij te Alkmaar in het huwelijk met Maria van Teylingen die hem minstens zeven kinderen schonk. Op verzoek van Schonaeus nam hij in 1603 of 1604 de leiding van de Haarlemse Latijnse School op zich. Kort vóór 22.4.1607 werd hij tot ouderling benoemd in de nieuw samengestelde kerkenraad. Op 28.8.1607 werd hij tot vroedschap van Haarlem gekozen en daags daarna beëdigd. Op 23.6.1609 werd hij als opvolger van Schonaeus aangewezen en op 25.7.1609 als rector ingehuldigd.Toen prins Maurits op 25.10.1618 in Haarlem de wet verzette,werd Schrevelius als vroedschap de laan uitgestuurd. In 1620 werd hij, op verdenking van onzuiverheid in de leer, ook als rector ontslagen en gesommeerd Haarlem te verlaten. Hij vestigde hij zich in Leiden waar hij privé-onderwijs ging geven aan jongelui van goeden huize, die voor een deel met hem uit Haarlem waren meegekomen. Op 8.1.1625 namen de burgemeesters en regeerders van Leiden hem aan om vanaf 1.2.1625 het rectoraat van de Leidse Grote School te bekleden. Na enkele contractverlengingen besloot het gerecht om hem per 1.5.1642, conform zijn wens, van het rectoraat te ontheffen. Schrevelius keerde terug naar Haarlem waar hij zich enkele jaren later opwierp tot geschiedschrijver van zijn geboortestad, eerst in het Latijn en kort daarna in het Nederlands. In december 1649 overleed hij in zijn huis op de Oude Gracht te Haarlem, waarna hij werd begraven in de Brouwerskapel van de Grote Kerk van zijn geboortestad. Zijn echtgenote overleed in hetzelfde huis vóór 29.4.1653. Schrevelius’ lijfspreuk, ontleend aan Sophocles’ Aiax, luidde: “?????? ????? ????” (‘Geschenken van vijanden brengen ongeluk’).

II. Geschriften

Schrevelius’ oeuvre omvat poëzie, een schoolgrammatica, werken over de lijdzaamheid en over het schoolwezen, en een stadsgeschiedenis. Zijn eerste schreden op het pad der Muzen behelzen gelegenheidsgedichten en dateren uit zijn eerste Leidse periode.Als conrector publiceerde hij in 1598 zijn Trophaeum Pelusiacum. De keuze van de stof is illustratief voor de historische interesse die hij altijd voor de geschiedenis van zijn geboortestad aan de dag heeft gelegd. Op zijn oude dag culmineerde deze in de uitgave van zijn Harlemum (1647) en Harlemias (1648).Van zijn zorg voor het onderwijs getuigen,behalve een Griekse spraakkunst,vooral zijn oraties en verhandelingen over het schoolwezen onder de titel Diatribae scholasticae (1626 en 1643).Tekenend hiervoor en voor zijn kennis van het Grieks is ook de uitgave van de Stateneditie van drie boeken van Homerus’ Ilias in 1636.Van zijn poëzie mag nog apart genoemd worden zijn vertaling van Ovidius’ treurzangen (Tristium 1612), het Carmen eucharisticum van 1630 en de Leidensis ecclesiae prosopopoea eucharistica van 1636.

III.Werken

voor een gedetailleerde beschrijving van Schrevelius’gedrukte werken,zie H.van de Venne, Sol et sal vitae amicitia. Het album amicorum van Theodorus Schrevelius 1597-1602. Met een overzicht van zijn leven en werken,Amersfoort 2008, 313-326

IV. Literatuur

BHAPB 1988; H. van de Venne, Sol et sal vitae amicitia. Het album amicorum van Theodorus Schrevelius 1597-1602. Met een overzicht van zijn leven en werken,Amersfoort 2008

[H. van de Venne]

Citeerinstructie:

H. van de Venne,‘Theodorus Schrevelius’ in: Jan Bloemendal en Chris Heesakkers, eds., Bio-bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www.dwc.huygensinstituut.nl

Schonaeus, Cornelius (1540-1611)

I. Biografie

Cornelis Schoon (Gouda 1540 – Haarlem 23.11.1611) was de oudste zoon van Adriaen Corneliszoon Schoon, metselaar te Gouda, en Machtelt Claesdochter. Omstreeks 1549 ging hij naar de Grote of Latijnse School in zijn geboorteplaats. Daar kreeg hij als leerling van de vierde en derde (= hoogste) klas van 1 november 1554 tot 25 juli 1556 onderricht van rector Wijbrandt Dominicuszoon Bornstra. Eind juli 1556 verliet hij de school, waarna hij wellicht nog elders (Utrecht?) een Grote School met de kopklassen secunda en prima heeft bezocht. Op 28.8.1560 liet hij zich aan de universiteit van Leuven immatriculeren, als student van de pedagogie Het Varken. Zijn studie in de artes heeft hij echter niet met het licentiaat bekroond, waarschijnlijk wegens ziekte en een verminderde interesse voor de artesopleiding.Vermoedelijk op 1.5.1564 werd hij tot ludimagister of lector quintanorum van de Grote Latijnse School van Haarlem aangesteld. In 1565 of 1566 trad hij in het huwelijk met de eveneens uit Gouda afkomstige Weyntgen Jacobsdochter (van) Blyenburg die hem minstens zeven kinderen schonk.Op 1.5.1566 werd hij ook een tijdlang belast met de koorzang der scholieren.Nadat hij vóór 26.6.1568 nog lector quartanorum of conrector van de Haarlemse school was geworden, verliet hij deze in december 1571 om op 1.1.1572 het rectoraat van de “groote gemeene schoele”van Den Haag op zich te nemen.Het met de Haagse magistraat gesloten contract voor vier jaar diende hij evenwel niet uit, want reeds op 9.11.1574 sloot hij met de burgemeesters van Haarlem een “accort” om daar de overleden rector Cornelis Jacobszoon Ketel op te volgen.In 1582 overwoog de Haarlemse magistraat om hem te ontslaan en te vervangen door een andere rector die ook openbare lessen aan volwassenen zou geven en tevens regent zou zijn van een in het voormalige cellenbroersklooster op te richten “collegie” voor veelbelovende scholieren. Omdat de missie van enkele “commissarissen” naar Leiden, om daar een nieuwe rector aan te trekken, geen succes had, werd Schonaeus echter in zijn ambt gehandhaafd.Toen in 1583 de Grote School van de Schoolsteeg naar het “geapproprieerde” cellenbroersconvent in de Jacobijnestraat werd overgebracht,werd daarin ook een nieuwe ambtswoning voor Schonaeus ingericht, terwijl er tevens woonruimte voor commensalen werd gecreëerd.Vanaf mei 1597 werd Schonaeus, na een ingrijpende reorganisatie van de Grote Latijnse School, terzijde gestaan door zijn oud-leerling Theodorus Schrevelius die tot conrector werd aangesteld. Toen de last der jaren en de grootte van de school steeds zwaarder op hem gingen drukken, verzocht hij Schrevelius om het roer van de school over te nemen. Deze nam daarop vanaf juli 1604 – maar mogelijk reeds ruim een jaar eerder – de derde klas of rectorsklas onder zijn hoede ten teken dat hij de facto rector was, terwijl Schonaeus les ging geven in de vijfde klas en de iure rector bleef. Op 23.6.1609 werd hij op eigen verzoek door de Haarlemse burgemeesters ontslagen, met behoud van zijn wedde en emolumenten, en werd Schrevelius tot zijn opvolger benoemd. Bij diens inauguratie, op 25.7.1609, verdween Schonaeus definitief van het schooltoneel, na een rectoraat van bijna 34 jaar en negen maanden.Wanneer men bij die periode ook nog de ruim zeven en een half jaar optelt die hij in Haarlem ludimagister was, heeft hij in totaal zelfs meer dan veertig jaren zijn beste krachten aan het onderwijs in de Spaarnestad gegeven.Op 23.11.1611 overleed Schonaeus te Haarlem.Twee

of drie dagen later werd zijn stoffelijk overschot in de Grote Kerk van die plaats ter aarde besteld. Schrevelius schreef voor zijn vereerde leermeester een vierregelig epitafium. Schonaeus’ zinspreuk luidde:“Nullum simulatum diuturnum” (‘Eerlijk en oprecht duurt het langst’).

II. Geschriften

Schonaeus’oeuvre bestaat uit dramatische en lyrische poëzie,een schoolreglement,een boekencatalogus en een schoolgrammatica.

Tot zijn dramatische poëzie behoren dertien bijbelse toneelstukken (‘comoediae sacrae’), drie kluchten (‘fabulae ludicrae’), een schoolkomedie (‘comoedia nova’) en een gelegenheidsstuk (Fabula comica). Omdat de blijspelen van Plautus (ca. 251-184 v. Chr.) en – in mindere mate – Terentius (ca. 190-159 v. Chr.) in Schonaeus’ tijd wegens hun vaak scabreuze inhoud ongeschikt werden geacht om door scholieren te worden gelezen en opgevoerd, ging hij zelf toneelstukken schrijven. De stof hiervoor ontleende hij aan de Bijbel, terwijl hij voor zijn taal en stijl Terentius als model koos, omdat deze voor hem het onovertroffen voorbeeld van zuiver en elegant Latijn was. Op die manier hoopte hij dat zijn ‘komedies’zouden bijdragen tot de zedelijke vorming van zijn leerlingen en hen vertrouwd zouden maken met de elegantie van Terentius’ urbane omgangstaal en voorbeeldige conversatiestijl, wat zeer bevorderlijk was voor een correcte actieve beheersing van de Latijnse spreektaal. Bovendien zouden toneeluitvoeringen van zijn stukken het geheugen van de spelers trainen en hen leren zich in het openbaar te bewegen. Schonaeus’ kluchten en schoolkomedie danken hun ontstaan aan zijn verlangen om bij speciale gelegenheden, zoals carnaval, zijn leerlingen vertier te bieden en het publiek de zorgen om het dagelijkse bestaan even te laten vergeten. Ook bij het schrijven van deze stukken stond voor hem,naar eigen zeggen,steeds het belang van de schooljeugd voorop:zij mochten daarom niet platvloers of banaal zijn en er mochten geen schunnigheden in voorkomen. Zijn laatste toneelstuk, Fabula comica, is geschreven voor het grote rederijkerslandjuweel dat in 1606 te Haarlem werd gehouden.Het stuk was bedoeld om het goede doel van het feest,geld inzamelen voor de bouw van een oudemannenhuis, te promoten.

Schonaeus debuteerde in 1569 met het bijbelse drama Tobaeus en een bundel verzen (Carminum libellus). In 1570 volgden twee nieuwe ‘comoediae sacrae’: Nehemias. De instauratione Hierosolymae comoedia sacra en Saulus Conversus. In 1572 gaf hij zijn vierde ‘gewijde komedie’ uit: Naaman. Nadat in 1580 en 1581 door Christoffel Plantijn een nieuwe uitgave van zijn herziene Tobaeus, Saulus Converus en Naaman Nehemias was reeds in 1570 door Plantijn gedrukt – was verzorgd, verschenen de vier stukken in 1591, gebundeld onder de titel Terentius Christianus, in Keulen. Deze editie kwam niet op initiatief van Schonaeus zelf tot stand, maar werd buiten zijn medeweten bezorgd door zijn Goudse oud-studiegenoot en vriend Cornelius Loosaeus Callidius. De uitgave zette in eerste instantie kwaad bloed bij de auteur, omdat hij de titel Terentius Christianus te pretentieus vond en vreesde dat deze de afgunst zou wekken van mensen die niet wisten dat alles buiten hem om bedisseld was. Bovendien ergerde hij zich aan het feit dat de editeur in zijn stukken onnodige castigaties had aangebracht, waardoor de tekst ervan niet beter maar juist slechter was geworden. Dat was voor hem reden om in 1596 en 1598 in Keulen en Antwerpen een nieuwe editie van de Terentius Christianus te laten drukken. Deze was inmiddels door het ontstaan van twee nieuwe bijbelse drama’s, Iosephus (1590) en Iuditha (1592), die met de vier oudere stukken waren gebundeld in de Sacrae comoediae sex-editie van Haarlem 1592 en de Terentius Christianus-editie van Keulen 1595, van vier tot zes toneelstukken uitgegroeid. Schonaeus’ zevende bijbelse spel, Daniel, verscheen in 1596, gevolgd door zijn Susanna in 1599. In dat jaar verscheen ook Triumphus Christi, het eerste bijbelse drama waarvan de stof geput was uit het Nieuwe Testament. Eveneens ontleend aan het Nieuwe Testament waren de thema’s van Typhlus, Pentecoste en Ananias die alledrie tezamen in 1602 uitkwamen. Schonaeus’ laatste bijbelse drama was Baptistes, een ‘tragicomoedia’ die in 1603 het licht zag. Zijn oudste klucht, Pseudostratiotae, verscheen voor het eerst, samen met zijn zes oudste bijbelse spelen, in 1592 te Haarlem.Vier jaren later, in 1596, volgden in één editie zijn kluchten Cunae en Vitulus. Zijn vierde blijspel, Dyscoli, een schoolkomedie in engere zin, verscheen met de Baptistes en de zo-even genoemde drie kluchten voor het eerst in het derde deel van zijn Lucubrationes in 1603. Schonaeus’ roem berust vooral op zijn bijbelse spelen die hem de weidse titel Terentius Christianus opleverden en die met grote regelmaat tot laat in de achttiende eeuw op vele plaatsen in Europa werden herdrukt. De dedicaties van de door hem zelf bezorgde edities met bijbelse spelen en kluchten zijn voor het merendeel gericht tot de raad en magistraat van Haarlem, maar er zijn er ook die bestemd zijn voor de magistraat van Gouda en voor Goudse en Haarlemse vrienden.

Schonaeus’lyrische poëzie omvat een bundel elegieën (‘Liber elegiarum’),een bundel epigrammen (‘Liber epigrammatum’),en een groot aantal verzen op prenten.Zijn eerste bundel gedichten verscheen, tegelijk met zijn Tobaeus,in 1569 onder de titel Carminum libellus.Hij was opgedragen aan de geleerde Haarlemse burgemeester Jan van Zuren en bevat onder meer gedichten die waren toegewijd aan andere Haarlemse vrienden als Quirinus Talesius, Joannes Voccinius en Philips van Hogesteijn. Een tweetal gedichten is, tekenend voor de vroomheid van de auteur, gericht tot Christus of handelt over diens leven. In gereviseerde vorm gaf de auteur zijn gedichten opnieuw in druk in 1592; maar omdat hun aantal intussen enorm was toegenomen, verdeelde hij de nieuwe collectie in een verzameling elegieën (opgedragen aan Timan van Wou) en een epigrammenbundel (gededicaceerd aan Eugenius Perebomius).Als het waar is,wat de schrijver zegt,dat een groot aantal gedichten hierin op jeugdige leeftijd (“admodum adolescens”) ter oefening en verpozing is geschreven, dan betekent dit – gezien het afgevijlde karakter ervan – dat zij door hem als scholier en student zijn geconcipieerd maar dat zij daarna nog vaak zijn herzien. In latere edities van Schonaeus’ werken werd deze elegische en epigrammatische poëzie steeds in het derde deel uitgegeven. In zijn ‘Liber epigrammatum’ is een vrij groot aantal verzen opgenomen die hij heeft geschreven om als onderschrift te dienen op prenten van graveurs als Coornhert, Goltzius, Saenredam, Matham, Clock, Drebbel en anderen. Onderzoek heeft uitgewezen dat het aantal gedichten dat hij met dat doel heeft gedicht, veel groter is dan het aantal dat in de epigrammenbundel staat afgedrukt.

Het door Schonaeus opgestelde schoolreglement (Leges scholasticae) verscheen in 1576,op initiatief van de bisschop van Haarlem.Het was bedoeld voor de Latijnse scholen van Haarlem,Amsterdam en alle andere scholen in het diocees Haarlem. Lang is het niet van kracht gebleven, want na de alteratie van Amsterdam op 26 mei 1578 en de Haarlemse Noon drie dagen later bestond het gezag van de bisschop niet meer.

Kort na de Haarlemse Noon heeft Schonaeus, op last van de magistraat van Haarlem, met een van zijn leerlingen veertien dagen gewerkt aan het opstellen van een catalogus van het boekenbezit van de Haarlemse predikheren- en minderbroederskloosters. De boeken waren bestemd voor de Leidse universiteitsbibliotheek in opbouw, maar zijn daar – voorzover bekend – nooit gearriveerd. Schonaeus’ catalogus is verloren gegaan.

Omstreeks 1580 schreef Schonaeus,in opdracht van de Staten van Holland,een Latijnse grammatica die bedoeld was om te worden gebruikt op alle scholen van Holland en Zeeland. Helaas mislukte deze poging om tot meer uniformiteit van leermiddelen op de Latijnse scholen te komen jammerlijk. Wèl is de “nae de stijl”van Cornelius Valerius – mogelijk een van Schonaeus’professoren te Leuven – geschreven spraakkunst op de Grote Latijnse School van Haarlem in gebruik geweest, maar tot op heden is nog geen exemplaar daarvan voor de dag gekomen.

III.Werken

Voor een gedetailleerde beschrijving van Schonaeus’gedrukte werken,zie H.van de Venne,Bibliographia Schonaeana (1569-1964).A Bibliography of the Printed Works of Cornelius Schonaeus Goudanus,Amersfoort 2003 [= Haarlem reeks 15.3].Heruitgave van de Tobaeus in M.Verweij,Het thema Tobias in het Neolatijnse schooltoneel in de Nederlanden in de 16e eeuw. De tobaeus van Cornelius Schonaeus (1569) en de tobias van Petrus Vladeraccus (1598), Leuven 1993 [148-216]; Heruitgave van Pseudostratiotae, Cunae, Vitulus en Dyscoli in H. van de Venne, Cornelius Schonaeus Goudanus. Blijspelen. Uitgegeven met inleiding, vertaling en toelichting,Amersfoort 2008;Heruitgave van de Iosephus in J. Bloemendal, J. Groenland en een werkgroep studenten GLTC van de UvA,Iosephus (1590).Een bijbelse komedie van de Christelijke Terentius uit Haarlem,Amersfoort 2008 [= Scaenica Amstelodamensia 2]

IV. Literatuur

BHAPB 1972;BHAPB 1988;H.van de Venne,‘Cornelius Schonaeus Goudanus en zijn contacten met het Antwerpse boekbedrijf, inzonderheid de Officina Plantiniana 1568/69-1610’, in M. de Schepper,

F. de Nave, reds., Ex officina Plantiniana Moretorum. Studies over het drukkersgeslacht Moretus,Antwerpen 1996 [= De Gulden Passer, 74],307-342;H.van de Venne, Cornelius Schonaeus Goudanus (1540-1611), Deel 1, Leven en werk van de Christelijke Terentius. Nieuwe bijdragen tot de geschiedenis van de Latijnse Scholen van Gouda, ’s-Gravenhage en Haarlem, Voorthuizen 2001 [= Haarlem reeks 15.1]; H. van de Venne, Cornelius Schonaeus Goudanus (1540-1611), Deel 2, De vriendenkring. Gedichten aan en van zijn vrienden,Voorthuizen 2002 [= Haarlem reeks 15.2]; H. van de Venne, Cornelius Schonaeus Goudanus (1540-1611). Overzicht van zijn elegische, epigrammatische en dramatische poëzie,Voorthuizen 2001; H. van de Venne, Cornelius Schonaeus Goudanus (1540-1611).Vijfentwintig brieven en vier albuminscripties (1568-1611),Voorthuizen 2001.

[H. van de Venne]

Citeerinstructie:

H.van de Venne,‘Cornelius Schonaeus’in:Jan Bloemendal en Chris Heesakkers,eds., Bio-bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www.dwc.huygensinstituut.nl

Sylvanus, Gualtherus Gerardi (1573c-1653)

I. Biografie

Gualtherus Gerardi Sylvanus oftewel Wolter Wolthers (Doesburg ca. 1573 – 1653) was een zoon van Gerrit Wolthers, schepen en burgemeester van Doesburg, en Jenneke Kreemers. Op 3.7.1590 liet hij zich immatriculeren in Leiden waar hij vrije kunsten en theologie studeerde. In een brief van 3.5.1594 aan de magistraat van Deventer getuigt Everhard Bronchorst van hem dat hij in de IJsselstad wel preceptor wilde worden in de vijfde klas, 21 jaar oud was, klein van postuur, in het Latijn en deels in het Grieks “sehr wall erfahren”, en dat hij in Leiden “in particulari Schola vor twie Jaren gelesen” had. Aan de Grote School van Leiden gaf Wolter van 1.11.1594 tot december 1597 (wederom) les. Van zijn schooldienst ontslagen, was hij van 1598 tot 1600 secretaris van zijn geboorteplaats.Van Doesburg ging hij naar Harderwijk waar hij op 10.12.1599 als conrector van de Latijnse school was aangenomen. Op 6.7.1602 blijkt hij daar te zijn afgetreden. Eind februari 1603 ondertekende hij in Deventer een contract waarin was bepaald dat hij vanaf Pasen rector van de Grote Latijnse School ter stede zou zijn.Van 12.03.1604 tot 16.03.1618 was hij er eveneens ouderling van de gereformeerde gemeente. Op 10.6.1619 accordeerden de schepenen en raad van Deventer zijn ontslag als rector. Hij keerde terug naar Doesburg waar hij van 1621 tot 1652 schepen en burgemeester was. Sylvanus huwde tweemaal: op 8.5.1607 te Deventer met Oda Roothuys en op 24.1.1627 te Zutphen met Margareta Wessels. Hij werd op 10.5.1653 in de Grote Kerk van Doesburg begraven.

II. Geschriften

Sylvanus’ oeuvre omvat gelegenheidsgedichten, een stadsgeschiedenis, een schoolgrammatica en een uiteenzetting van zijn denkbeelden over het onderwijs. Begin mei 1594 zou hij reeds “etlick mall excellente Carmina” in druk hebben gegeven. Eén van die gedichten is het carmen gratulatorium dat “quidam Dosborgensis” voor Franciscus ab Aerssen schreef bij gelegenheid van diens disputatie op 18.4.1592.Andere gedichten van zijn hand waren het carmen waarmee hij op 30.6.1593 het album amicorum van Daniel van Vlierden opsierde en het poëma voor Theodorus Leontius, toen deze op 1.7.1595 theses verdedigde. Bewaard is ook een inscriptie in het album van Theodorus Schrevelius

d.d. 29.4.1597.Verder prijkt nog een lofdicht in Baudartius’ Memoryen, en een gedicht op Deventer in Revius’ Daventria illustrata.Ook de pentameter “Fide Deo Vigila Consule Fortis Age”op de Deventer toren zou van hem zijn.

Tijdens zijn rectoraat publiceerde hij bovendien een Beschrijvinge der stad Deventer. Bestemd voor het onderwijs waren zijn “Deductie” over het schoolwezen en zijn Rudimenta.

III.Werken

Poëzie:

» Theodorus Leontius Frisius, Disputatio de principiis iuris (Leiden, 1595), 4r-v » Album amicorum van Daniël van Vlierden, 121-123 » Jacobus Revius, Daventriae illustratae … libri sex, Leiden 1651, 578 » Gulielmus Baudartius, Memoryen … Arnhem 1624, (?)(?)ijr-v

Inscriptie:

» Album amicorum van Theodorus Schrevelius, 188-189

» Stadsgeschiedenis:

» Beschryvinge der stad Deventer,Deventer 1616 (herdrukt achter Arnold Moonens Korte Chronyke der Stadt Deventer, Deventer, 17143)

Spraakkunst: » Rudimenta linguae Latinae (gedrukt ca. 1604)

Schoolinrichting:

» “Deductie” (geschreven in 1611)

IV. Literatuur

» BHAPB 1988;H.van de Venne,‘Waltherus Gerharti [Sylvanus] (Wolter Gerritszoon Wolthers)’in id, Sol et sal vitae amicitia.Het album amicorum van Theodorus Schrevelius 1597-1602.Met een overzicht van zijn leven en werken,Amersfoort 2008

[H. van de Venne]

Citeerinstructie:

H.van de Venne,‘Gualtherus Gerardi Sylvanus’in:Jan Bloemendal en Chris Heesakkers,eds.,Bio­bibliografie van Nederlandse Humanisten. Digitale uitgave DWC/Huygens Instituut KNAW (Den Haag 2009). www.dwc.huygensinstituut.nl