1. Onderwijs aan huis

Christiaan Huygens kreeg zijn eerste opleiding thuis van zijn vader en van leraren die door zijn vader waren aangesteld. Hij volgde deze lessen samen met zijn oudere broer Constantijn. Toen Christiaan acht was kwam er een huisleraar, een zekere Abraham Mirkenius, wiens belangrijkste taak het was de broers Latijn te leren, de internationale wetenschaps- en cultuurtaal in die tijd. Daarnaast kregen zij van hun vader les in muziek en rekenen.

Dit onderwijs had zo veel resultaat dat hij, naar zijn vader verzekert, al op zijn negende begon met zelf te componeren en met zijn broers vrolijk Latijn praatte. In de daarop volgende jaren leerde hij nog geografie, prosodie, spelen op luit, viola da gamba en klavecimbel, logica, Grieks, Frans en Italiaans.

Bovendien legde hij zich vanaf zijn veertiende ijverig toe op de mechanica. Zijn vader vertelt hoe Christiaan deze kennis snel praktisch toepaste. Hij kon prenten vaardig natekenen en bouwde modellen van dingen waar hij over las. “Besteedende voorts de snipperingen van syn tydt aen Molenties en andere modellen te maeken, selfs tot een draeybank toe, die hy in dit jaer [1643] soo by een hadde weeten te knusselen, dat hy al eenigh goedt daer op begon te draeyen.” Zijn huisleraar Hendrik Bruno (Mirkenius was er inmiddels mee gestopt) kon deze hobbies overigens maar matig waarderen.

Toen hij vijftien was werd hij rijp genoeg bevonden om te leren dansen en paardrijden en kwam er eindelijk ook een leraar wiskunde, Jan Jansz. Stampioen (de Jonge).